Huwelijk en vennootschap onlosmakelijk verbonden met elkaar

Het huwelijksstelsel waaronder u getrouwd bent of uw huwelijkscontract spelen vaak een grotere rol dan u zou denken in uw vennootschap.

Partners die gehuwd zijn zonder huwelijkscontract, vallen automatisch onder het wettelijk stelsel. Het wettelijk stelsel is een stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Dit houdt in dat er drie vermogens zijn: het eigen vermogen van elke echtgenoot en het gemeenschappelijk vermogen.

Alle goederen die een partner bezit voor het huwelijk en alle goederen verkregen door schenking of erfenis vallen onder diens eigen vermogen. Alle goederen daarentegen die tijdens het huwelijk worden verkregen, zowel beroepsinkomsten als inkomsten uit eigen goederen (bv. huuropbrengsten van een eigen onroerend goed) vallen onder het gemeenschappelijk vermogen.

Er speelt daarnaast een vermoeden dat alle goederen waarvan een echtgenoot niet kan aantonen dat deze eigen zijn, behoren tot het gemeenschappelijk vermogen. Het bewijs dat goederen ‘eigen’ zijn is vaak moeilijk te leveren.

Wanneer u beslissingen neemt binnen uw vennootschap is het belangrijk dat u zich hiervan bewust bent.

Stel, u bent getrouwd onder het wettelijk stelsel en bent tevens bestuurder van een vennootschap.

U erft van uw vader 100.000,00 EUR. Deze 100.000,00 EUR behoort tot uw eigen vermogen.

U beslist om dit geld te lenen aan uw vennootschap.

Er ontstaat een rekening courant van 100.000,00 EUR. De vennootschap betaalt een intrest van 5%. De intresten worden op dezelfde rekening courant van de bestuurder geboekt.

De rekening courant mag dan wel op naam van de bestuurder staan, dit wil niet zeggen dat de tegoeden dat ook zijn indien hij getrouwd is onder het wettelijk stelsel.

Opbrengsten uit eigen goederen vallen immers onder het gemeenschappelijk vermogen. De ontvangen intrest is dus gemeenschappelijk.

Doordat de intresten worden gestort op dezelfde rekening courant van de bestuurder, treedt er vermenging op. Het wettelijk vermoeden dat goederen gemeenschappelijk zijn, speelt dan ten volle. Na jarenlange boekingen en verrichtingen op de rekening courant is het immers niet vanzelfsprekend dat kan worden aangetoond welke goederen eigen zijn en welke niet. Eigen goederen worden hierdoor vaak ongewenst gemeenschappelijk.

Dit probleem kan bijvoorbeeld worden opgelost via een aparte rekening courant waarop de intresten worden gestort.

Het spreekt echter voor zich dat dergelijke situatie zich ook in veel andere gevallen voordoet.

Indien u voorbereid wil zijn en problemen hierover wil vermijden, kan het nuttig zijn u hierover op voorhand te informeren.

De advocaten van Eska Law staan u uiteraard graag te woord!

Toekomstige wijziging Wetboek van vennootschappen en verengingen: de invoering van een mandatendatabank en de mogelijkheid om bepaalde vennootschappen volledig online op te richten

Recent werd een wetsontwerp aangenomen dat het in de toekomst mogelijk zal maken om bepaalde vennootschappen volledige online op te richten.

Dit wetsontwerp voorziet in een (gedeeltelijke) omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (hierna “Richtlijn 2019/1151”).

In het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) worden op vandaag de gevallen bepaald waarbij beroep moet worden gedaan op een authentieke akte voor de oprichting of een statutenwijzigingen.

Op heden werden de elektronische vorm van de akte en het verlijden van de akte op afstand reeds voorzien als specifieke modaliteiten voor het verlijden van een authentieke akte.

Daarnaast is het op vandaag eveneens mogelijk om de oprichtingsakten en wijzigingsakten, en hun bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen, elektronisch neer te leggen.

Met het wetsontwerp zal ook de mogelijkheid voorzien worden in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen om bepaalde vennootschappen volledig online op te richten zonder dat hiervoor een fysieke verschijning nodig is.

Dit zal onder meer het geval zijn voor de oprichting van een besloten vennootschap waarbij de online oprichting moet afgewikkeld worden binnen de vijf dagen indien gebruik wordt gemaakt van de ter beschikking gestelde modelstatuten of binnen tien dagen in de andere gevallen.

Hieraan gekoppeld zal ook de termijn van de bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad binnen een verkorte termijn moeten gebeuren.

Tot slot zal in de twee paragraaf van artikel 2:7 van het WVV een nieuw lid worden toegevoegd dat het mogelijk maakt om te voorzien in een mandatendatabank. Aan de hand van deze databank zal men eenvoudigweg de vertegenwoordigingsbevoegdheden, alsook elke wijziging of opheffing van bevoegdheden van bestuurders kunnen nagaan.

Bron: Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt en houdende diverse bepalingen ingevolge de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1151 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht

(Doc 55 2047/001: https://www.dekamer.be/flwb/pdf/55/2047/55K2047001.pdf)

 

 

Investeringsaftrek vastgoed tijdelijk verhoogd tot 25%

Bent u een onderneming en heeft u plannen om te investeren in vastgoed? Goed nieuws, u geniet de komende twee jaar van een zeer gunstig fiscaal regime!

Het fiscaal voordeel van de investeringsaftrek houdt in dat u een bepaald percentage van de investeringen die u heeft gemaakt gedurende het belastbaar tijdperk, kan aftrekken van de belastbare winst. Het percentage wordt eenmalig toegepast op de aanschaffings-of beleggingswaarde van de goederen.

De algemene eenmalige investeringsaftrek bedroeg vroeger 8%, doch werd in het kader van de coronasteunmaatregelen van de Federale Overheid verhoogd tot 25%. Eind 2020 werd beslist om de verhoogde investeringsaftrek te verlengen voor investeringen gedaan tot eind 2022.

Het voordeel is van toepassing voor eenmanszaken, vrije beroepen en ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine vennootschap of grote vennootschap. Vzw’s zijn uitgesloten van het toepassingsgebied.

Opdat het fiscaal voordeel kan genoten worden moet de investering wel aan enkele voorwaarden voldoen. Zo dient er geïnvesteerd te worden in materiële vaste activa die in nieuwe staat werden opgericht of verkregen. De investering moet verder uitsluitend gebruikt worden voor de beroepsactiviteit én dient over minimaal drie jaar te worden afgeschreven. Leasing komt hiervoor eveneens in aanmerking.

Wenst u een pand aan te kopen met een patrimoniumvennootschap, dan kan deze investering eveneens in aanmerking komen voor het gunstige fiscaal regime. De statuten dienen in dat geval te vermelden dat de economische activiteit van de patrimoniumvennootschap eruit bestaat vastgoed aan te kopen, verkopen en te beheren.

Maakt uw onderneming geen of niet voldoende winst tijdens het belastbaar tijdperk in kwestie, dan kan (het deel van) de niet-verleende vrijstelling, worden overgedragen naar een volgend belastbaar tijdperk.

Bron:

Vermogensplanning met behulp van een ‘beheersvolmacht’

Stel je wenst als ouders aan je kinderen een beleggingsportefeuille te schenken in het kader van een vermogensplanning, doch je wenst zelf de controle te behouden. Wat zijn dan de mogelijkheden? Uiteraard kan het oprichten van een maatschap hier een oplossing bieden, maar een eenvoudiger en goedkoper alternatief bestaat uit het werken met een beheersvolmacht.

Via een beheersvolmacht geeft de eigenaar van een goed (bv. een beleggingsportefeuille) via een lastgevingsovereenkomst, een volmacht aan een derde om dit goed te beheren en er tevens over te beschikken in naam en voor rekening van de eigenaar.

In onze casus hierboven zijn de kinderen via de schenking eigenaar geworden van de beleggingsportefeuille. Zij kennen aan hun ouders, via de beheersvolmacht, de volledige controle over de portefeuille toe. Aan deze volmacht kunnen modaliteiten en voorwaarden verbonden worden om tegemoet te komen aan de wens van de ouders/schenkers om de controle over het vermogen te behouden.

De beleggingsportefeuille zal aldus worden beheerd door de ouders en niet door de kinderen/eigenaars.

Enkele belangrijke elementen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de opmaak van de beheersvolmacht zijn de volgende:

    1. Onherroepelijkheid van de volmacht: dit zorgt ervoor dat de volmachtgever voor de tijd van de beheersvolmacht, deze niet kan herroepen (meestal zolang de ouders leven)
    2. Exclusiviteit van de volmacht: dit zorgt ervoor dat de volmachtgever niet meer zelf kan handelen, doch exclusief de volmachtdrager

Indien de volmacht onherroepelijk en exclusief is, zijn de ouders aldus zeker dat zij alleen en niemand anders instructies kunnen geven aan de bank m.b.t. het beheer van de portefeuille en dat de kinderen hierop niet kunnen terugkomen voor de duur afgesproken in de volmacht (meestal tot aan het overlijden van de ouders).

Een beheersvolmacht kan zowel onderhands als notarieel worden opgemaakt.

Van belang is tevens dat de begiftigden de beheersvolmacht vrijwillig aan de schenkers verlenen. In de praktijk wordt er daarom aangeraden om de beheersvolmacht niet als last te koppelen aan de schenking en ook niet te vermelden in een bewijsdocument van de bank. Het is daarentegen aangewezen om enige tijd na de schenking een afzonderlijke lastgevingsovereenkomst te ondertekenen, waaruit duidelijk blijkt dat de begiftigde de beheersvolmacht volledig vrijwillig heeft gegeven.

Let wel, de ouders zullen wel steeds rekening en verantwoording dienen af te leggen aan de kinderen, zoals gebruikelijk bij een volmacht en dient de volmacht beperkt te zijn in tijd (bijvoorbeeld overlijden van de langstlevende schenker).

Gezien aan de maatschap de laatste jaren enorm veel formaliteiten verbonden zijn en de oprichting en werking administratie en kosten met zich meebrengt, vormt de beheersvolmacht een eenvoudiger en goedkoper alternatief.

Heeft u vragen of wenst u hierover meer informatie, dan staan wij u graag te oord!

Bron:

Beding van aanwas m.b.t. een onroerend goed. Let op, niet steeds fiscaal voordelig!

Het beding van aanwas is een clausule in een contract tussen twee personen die samen eigenaar van eenzelfde zaak waarin bepaald wordt dat het aandeel van de eerststervende partij zal toekomen aan de langstlevende. Het aandeel van de ene partij wast als het ware aan bij het aandeel van de andere partij.

Een dergelijk aanwasbeding komt vaak voor bij niet-gehuwde koppels, maar ook bij echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen of bij stelsel van gemeenschap van goederen m.b.t. de eigen goederen.

Met betrekking tot onroerende goederen, wordt het beding van aanwas belast alsof het om een verkoop zou gaan. Er wordt een verkooprecht van 10% geheven op het deel van dat bij overlijden van de ene partner, naar de andere overgaat.

Of het voorkooprecht lager is dan de te betalen erfbelasting, is afhankelijk van twee belangrijke factoren:

      • de waarde van het onroerend goed
      • of het onroerend goed al dan niet de gezinswoning betreft
    1. de waarde van het onroerend goed

Het te betalen voorkooprecht bij een beding van aanwas, kan hoger liggen dan de erfbelasting maar dit is zeker niet altijd het geval. Dit hangt namelijk sterk af van de waarde van het onroerend goed.

Is het onroerend goed (andere dan de gezinswoning) voor het geheel meer waard dan 500.000,00 EUR, dan is eveneens het aandeel van de overleden partner meer waard dan 250.000,00 EUR en zal de langstlevende op de hoogste schijf wellicht erfbelasting dienen te betalen tot 27%. In dit geval kan het aldus voordeliger zijn i.k.v. een vermogensplanning te werken met een beding van aanwas.

    1. het onroerend goed in kwestie betreft de gezinswoning

Een beding van aanwas is alleszins fiscaal gezien niet interessant als het gaat om de gezamenlijke gezinswoning van twee partners.

Als gehuwden, wettelijk samenwonende partners of feitelijke samenwonenden (indien reeds meer dan 3 jaar) immers bij testament vastleggen dat de langstlevende het aandeel van de eerststervende in de gezinswoning ontvangt, dan dient de langstlevende hierop geen erfbelasting te betalen. Voormelde partners genieten immers een volledige vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning die ze van elkaar erven.

In sommige gevallen kan echter soms wel aangewezen zijn voor de gezinswoning toch een beding van aanwas te voorzien, dan niet fiscaal gezien maar omdat het meer zekerheid biedt ten aanzien van de erfgenamen van de eerststervende. De kinderen kunnen tegen een beding van aanwas immers niets inbrengen (in tegenstelling tot wat het geval is bij een schenking of een legaat). Voor meer zekerheid wenst men soms een fiscaal hogere prijs te betalen.

Indien u vragen heeft of meer informatie wenst hierover, aarzel niet ons te contacteren!

Bron:

CASMAN & A.L. VERBEKE, Vermogensplanning tussen echtgenoten anno 2020, Antwerpen, Intersentia, 2020, p. 71 ev.

Vernietiging ruling door rechter omwille van niet naleven wettelijke voorwaarden door VLABEL

Wat als u in kader van een planning een rulingaanvraag heeft ingediend bij VLABEL maar de rulingdienst hierover ongunstig oordeelt?

Dit was het voorwerp tot discussie in een zaak voor het Hof van beroep te Gent.

De voorgenomen verrichting die aan de Dienst Voorafgaande Beslissingen werd voorgelegd betrof de volgende:

Een koppel van in de 40 jaar met twee jonge (minderjarige) kinderen wouden een maatschap oprichten waarbij delen van een patrimoniumvennootschap en van een effectenrekening zouden worden ingebracht. De ouders zelf zouden worden aangeduid als zaakvoerder. Na oprichting van de maatschap zou worden overgegaan tot een schenking van de maatschapsdelen aan de kinderen in volle eigendom, doch onder last voor de kinderen tot betaling van een jaarlijkse rente aan hun ouders-schenkers.

De ouders wensten de zekerheid te bekomen dat artikel 2.7.1.0.7 VCF (fictiebepaling bij gesplitste aankoop) of artikel 3.17.0.0.2 VCF (antimisbruikbepaling) niet op de schenking van toepassing zou worden verklaard.

De rulingdienst oordeelde hierbij dat het artikel 2.7.1.0.7 VCF inzake deze verrichting niet relevant is, op voorwaarde dat sprake is van een vaste rente en het bedrag niet wordt geformuleerd in de zin dat het overeenkomt met een vruchtgebruik.

Daarnaast oordeelde de rulingdienst dat de voorgenomen verrichting wel valt onder artikel 2.7.1.0.9 VCF aangezien sprake zou kunnen zijn van een herkwalificatie van de schenking in een contract onder bezwarende titel.

Op dit punt werd de voorafgaande beslissing door het Hof zonder meer vernietigd.

Inzake de antimisbruikbepaling oordeelde de rulingdienst echter dat de verrichting wél moest worden gelijkgesteld met een verrichting zoals beoogd door artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (fictiebepaling inzake de schenking onder opschortende voorwaarde of termijn).

Ook op dit punt werd de voorafgaande beslissing door het Hof vernietigd en dit om reden dat de belastingadministratie op geen enkele wijze voldoet aan de op haar rustende bewijslast.

Het is volgens het Hof namelijk zo dat de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF slechts in overeenstemming is met het grondwettelijk gewaarborgd legaliteitsbeginsel in zoverre de belastingadministratie de toepasselijke wettelijke voorwaarden, i.e. het systeem van bewijs en tegenbewijs, strikt naleeft.

Ingeval de belastingadministratie het systeem van bewijs en tegenbewijs niet strikt naleeft, is dan ook sprake van een schending van het grondwettelijk gewaarborgd legaliteitsbeginsel

Het komt namelijk allereerst aan de belastingadministratie toe om aan te tonen dat de belastingplichtige een rechtshandeling, of een geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, heeft gekozen die in tegenspraak is met de doelstellingen van een duidelijke geïdentificeerde fiscale bepaling en waarvan het doorslaggevende, zo niet exclusieve, motief erin bestaat de belasting te ontwijken.

Zo diende de belastingadministratie aan te tonen dat de rechtshandeling, zijnde in casu de inbreng van een deel van de patrimoniumvennootschap en een deel van de exploitatierekening in de maatschap, gevolgd door een schenking van de maatschapsdelen in volle eigendom aan de kinderen onder last, in tegenspraak is met de doelstellingen zoals vervat in artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.

De belastingadministratie blijft hiertoe echter in gebreke.

Volgens het Hof kan de belastingadministratie niet volstaan met het aantonen dat de verrichting gepaard gaat met een fiscaal voordeel.

Tot slot dient te worden opgemerkt dat het Hof duidelijk stelt niet in de mogelijkheid te zijn om zich in de plaats te stellen van de belastingadministratie en zelf uitspraak te doen over de toepasselijkheid van de antimisbruikbepaling (3.17.0.0.2 VCF).

Bron:

Gent 1 december 2020, 2018/AR/1269, TFR 2021 (samenvatting), afl. 598, 276.

SVC, “Vernietiging ongunstige ruling door de gewone rechter”, Fiscoloog nr. 1696 van 31.03.2021, 10-11.

 

Asymmetrische verdeling van het gemeenschappelijk vermogen bij leven: geen fiscaal misbruik

Als een van hen ernstig ziek is en het risico loopt te overlijden, overwegen partners soms een ‘in extremis’ uitbreng van goederen uit de huwelijksgemeenschap naar het eigen vermogen van de andere niet-zieke partner.

In Vlaanderen is het immers zo dat de langstlevende echtgenoot erfbelastingen moet betalen op al hetgeen hij ingevolge huwelijksovereenkomst verkrijgt boven zijn eigen helft.

Door een uitbreng te doen naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot, kan dit vermeden worden.

De fiscus houdt uiteraard niet van deze praktijk en oordeelt steevast dat dit fiscaal misbruik uitmaakt. De fiscus stelt dat de deze zogenaamde ‘asymmetrische uitbreng’ haar niet kan tegengeworpen worden op grond van de algemene antimisbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Artikel 3.17.0.0.2. bepaalt het volgende:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

Artikel 2.7.1.0.4 VCF bepaalt dat het gedeelte dat de langstlevende echtgenoot ingevolge huwelijksovereenkomst boven zijn eigen helft verkrijgt, belast is met erfbelasting:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

Door de eenzijdige uitbreng voor het overlijden te laten plaatsvinden, plaatsen de echtgenoten zich buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF, zo stelt de fiscus. De partijen zouden op deze manier het gemeenschappelijke vermogen drastisch verminderen, om alzo bij het overlijden erfbelasting te vermijden.

Artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt volgens de fiscus op deze manier gefrustreerd. De fiscus steunt haar vermoeden van fiscaal misbruik daarbij tevens op de vaak korte tijdspanne tussen de uitbreng en het overlijden.

In een arrest van 16 juni 2020 heeft het hof van beroep te Gent (2019/AR/916) echter geoordeeld dat deze praktijk geen fiscaal misbruik uitmaakt.

In casu, betrof het een koppel dat was gehuwd onder het wettelijk stelsel bij gebreke aan huwelijkscontract. Toen zij vernamen dat een van hen erg ziek was en weldra zou overlijden, wijzigden de echtgenoten hun huwelijksstelsel naar een stelsel van scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap. Bij de vereffening-verdeling van hun eerste huwelijksstelsel werden bijna alle goederen toebedeeld aan de niet-zieke echtgenoot.

De fiscus stelde dat de asymmetrische uitbreng van goederen uit de huwelijksgemeenschap van de echtgenoten, in casu in het kader van hun wijzigende huwelijksstelsel, haar niet kon worden tegengeworpen op artikel 3.17.0.0.2 VCF in combinatie met artikel 2.7.0.4 VCF.

Volgens het Hof van Beroep te Gent beperkt het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF zich echter tot de overbedeling van de langstlevende ingevolge overlijden. De toekenning van huwelijksvoordelen tijdens het leven, wordt niet geviseerd door de bepaling.

Artikel 2.7.1.0.4 VCF is volgens het Hof van Beroep te Gent aldus niet van toepassing.

Het Hof bevestigt dat de echtgenoten zich hebben onttrokken aan artikel 2.7.1.0.4 VCF, maar dit gebeurde volgens het Hof niet in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, daar deze enkel de overbedeling tijdens het overlijden viseert.

Het ‘leegmaken’ van het gemeenschappelijk vermogen bij leven maakt aldus geen fiscaal misbruik uit, zolang dit niet gebeurt in strijd met de doelstellingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Er bestaat vooralsnog geen wettelijke basis voor de fiscus om een asymmetrische verdeling van het gemeenschappelijk vermogen tijdens het leven te belasten.

Bron:

      • Gent 16 juni 2020, nr. 2019/AR/916.
      • Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.