Aankoop van een studio voor uw studerende zoon/dochter: de fiscale complicaties toegelicht

Wanneer zoon- of dochterlief na het afronden van het middelbaar gaan studeren, overwegen veel mensen om in plaats van een ‘kot’ te huren, meteen een appartement of studio aan te kopen in de (studenten)stad waar hun kind zal verblijven. Vastgoed is en blijft in België immers een van de meest populaire investeringen. Het onroerend goed kan dan na de studies van het kind verhuurd of opnieuw verkocht worden.

De aankoop van een bijkomend onroerend goed, naast de gezinswoning, heeft uiteraard ook fiscale implicaties.

Het hebben van een tweede verblijf betekent immers ook dat u verplicht bent om jaarlijks de onroerende voorheffing en de gemeentebelasting voor dit tweede onroerend goed te betalen. Tevens moet het onroerend goed jaarlijks worden opgenomen in uw aangifte personenbelasting.

Daarnaast bestaat er de zogenaamde ‘belasting op tweede verblijf’ die u moet betalen voor elk onroerend goed waar u eigenaar van bent, doch waar niemand gedomicilieerd is. De gemeente/stad waar het onroerend gelegen is, bepaalt het tarief van deze belasting.

Deze belasting vermijden kan door uw studerende zoon of dochter in het aangekochte pand te laten domiciliëren.

Dit lijkt een gemakkelijke oplossing, maar ook dit heeft fiscale gevolgen waarmee u rekening dient te houden bij het maken van uw keuze.

Elk kind dat in België woont heeft immers recht op een groeipakket (vroegere kinderbijslag) totdat het 25 jaar is. Zolang het kind thuis gedomicilieerd is, wordt dit aan de ouders uitbetaald. Dat blijft ook zo wanneer de student op kot gaat, zonder de wettelijke woonplaats te wijzigen.

Anders is het wanneer het domicilie van het kind op het tweede verblijf wordt gezet, dan ontvangt het kind automatisch zelf het groeipakket en wordt dit niet meer aan de ouders uitbetaald.

Bovendien is uw kind, vanaf dat het niet meer thuis gedomicilieerd is, niet meer fiscaal ten laste en zal u het belastingvoordeel dat hieraan gekoppeld is, ook niet meer ontvangen. Een voorwaarde opdat uw kind fiscaal ten laste is, is immers dat uw kind op 1 januari van het aanslagjaar in uw gezin woont.

Ten slotte heeft het domiciliëren van uw kind op het tweede verblijf nog een gevolg m.b.t. de studietoelage. Gezinnen met een beperkt inkomen kunnen een studietoelage krijgen. Doch, indien uw zoon of dochter gedomicilieerd is in een tweede verblijf waarvan de ouders eigenaar zijn, bestaat er geen recht op een toelage voor de kotstudent.

Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kan u steeds bij ons terecht!

Binnenkort een nieuwe verplichting inzake de anti-witwaswetgeving.

Op 16 oktober 2017 is in navolging van de Europese richtlijn de Antiwitwaswet in werking getreden met als doel de financiering van terrorisme en het witwassen te bestrijden.

In kader van deze strijd werd door Europa eveneens aan de lidstaten de verplichting opgelegd om een Ultimate Beneficial Owner (UBO) in te stellen.

Recent werd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers het wetsontwerp nr.1900/007 “houdende diverse financiële bepalingen inzake fraudebestrijding” gestemd en goedgekeurd, dit tot ongenoegen van onder meer het ITAA.

Het wetsontwerp zal namelijk wijzigingen aanbrengen aan de anti-witwaswet van 18 september 2017 waarbij de “onderworpen entiteiten” zoals de notarissen, advocaten, gerechtsdeurwaarders en voornamelijk de cijferberoepers zoals accountants, een melding moeten maken van elke incoherentie die zij vaststellen tussen de informatie over de uiteindelijke begunstigden in het UBO-register en de informatie over uiteindelijke begunstigden waarover zij beschikken.

In de anti-witwaswet zal namelijk een artikel 74/1 worden ingevoerd, luidend als volgt:

“Art. 74/1. § 1. De onderworpen entiteiten maken langs elektronische weg aan de Administratie van de Thesaurie melding van ieder verschil dat zij vaststellen tussen de informatie over uiteindelijke begunstigden in het UBO-register en de informatie over uiteindelijke begunstigden waarover zij beschikken.

In afwijking van het eerste lid moeten de advocaten die bij de uitoefening van de activiteiten opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, worden geconfronteerd met een verschil bedoeld in hetzelfde lid, de Stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

De nieuwe meldingsplicht dient te gebeuren aan de FOD Financiën en zal bestaan naast de reeds geldende meldingsplicht aan de Cel voor Financiële informatieverwerking.

Momenteel dient de tekst nog bekrachtigd te worden door de Koning waarna deze zal gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad.

De Stafhouder controleert of de voorwaarden bedoeld in het vierde lid en artikel 5, § 1, 28°, zijn nageleefd. In voorkomend geval geeft hij de informatie en inlichtingen in overeenstemming met het eerste lid, onmiddellijk en ongefilterd, op elektronische wijze door aan de Administratie van de Thesaurie. In afwijking van het eerste lid, delen de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, het vastgesteld verschil bedoeld in hetzelfde lid niet mee, wanneer de informatie en inlichtingen van één van hun cliënten ontvangen werd of over één van hun cliënten verkregen werd tijdens de bepaling van de rechtspositie van deze cliënt, of in de uitoefening van hun opdracht die cliënt in of in verband met een rechtsgeding te verdedigen of te vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie of inlichtingen vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen, tenzij de bedoelde onderworpen entiteiten zelf hebben deelgenomen aan de witwasactiviteiten of de activiteiten voor financiering van terrorisme, zij juridisch advies voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme hebben verstrekt, of zij weten dat hun cliënt juridisch advies wenst voor dergelijke doeleinden. De meldingsplicht bedoeld in het eerste lid is, indien nodig en voor zover deze vereiste hun taken niet onnodig doorkruist, van toepassing op de bevoegde autoriteiten behalve de CFI.

§2. Wanneer er verschillen worden gemeld, of op eigen initiatief, neemt de Administratie van de Thesaurie passende maatregelen om de informatie over uiteindelijke begunstigden in het UBO-register te bevestigen, te verbeteren, te verduidelijken, te vervolledigen of te wijzigen. Ze kan met name de betrokken informatieplichtige bedoeld in artikel 74, § 1, eerste lid, in kennis stellen van de gronden van de melding bedoeld in paragraaf 1 en vragen om de desbetreffende informatie over uiteindelijke begunstigden in het UBO-register binnen een termijn van een maand na de ontvangst van deze kennisgeving te bevestigen, te verbeteren, te verduidelijken, te vervolledigen of te wijzigen. De identiteit van de onderworpen entiteit of de bevoegde autoriteit die de melding heeft gemaakt, wordt in geen geval meegedeeld aan de betrokken informatieplichtige. Wanneer de Administratie van de Thesaurie een mededeling doet aan een derde, de Procureur des Konings of de federale procureur inbegrepen, dan zal de identiteit van de onderworpen entiteit of de bevoegde autoriteit die de melding van een verschil als bedoeld in paragraaf 1 heeft gemaakt in geen geval meegedeeld worden.

De Administratie van de Thesaurie vermeldt in het UBO-register dat een melding bedoeld in paragraaf 1 werd gemaakt zonder te preciseren welke onderworpen entiteit of bevoegde autoriteit eraan ten grondslag ligt. Deze vermelding is alleen zichtbaar voor de bevoegde autoriteiten en wordt verwijderd zodra de informatie over uiteindelijke begunstigden in het UBO-register is bevestigd, verbeterd, verduidelijkt, vervolledigd of gewijzigd overeenkomstig het eerste lid.”.

De nieuwe meldingsplicht dient te gebeuren aan de FOD Financiën en zal bestaan naast de reeds geldende meldingsplicht aan de Cel voor Financiële informatieverwerking.

Momenteel dient de tekst nog bekrachtigd te worden door de Koning waarna deze zal gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad.

Bron: wetsontwerp “houdende diverse financiële bepalingen inzake fraudebestrijding” (Parl. St. nr. 55-1900/007) https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/55/1900/55K1900007.pdf

Verhoogde strafrechtelijke geldboetes in de Vlaamse Codex Fiscaliteit

Het decreet van 2 april 2021 houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen, dat gepubliceerd werd op 15 april 2021, voert een aantal belangrijke wijzigingen door in de Vlaamse Codex Fiscaliteit (‘VCF’).

Een van deze wijzigingen betreft een aanzienlijke verhoging van de strafrechtelijke geldboeten.

De wettelijke voorziene maximale geldboete werd aangepast aan de geldboetes die gelden in de andere gewesten, hetgeen inhoudt dat alle maximale boetes van 12.500,00 tot 125.000,00 euro worden opgetrokken tot 500.000,00 euro.

Artikel 3.15.3.0.1 VCF bepaalt vandaag aldus dat een persoon die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van de VCF overtreedt, wordt gestraft met een geldboete van minimaal 250,00 euro en maximaal 500.000,00 euro. Voorheen bedroeg de maximale geldboete slechts 125.000,00 euro.

Ook voor andere misdrijven in de VCF zoals fiscale valsheid in geschrifte, het afleggen van een valse getuigenis, het verleiden van getuigen, deskundigen of tolken werd de maximale geldboete opgetrokken tot 500.000,00 euro.

Van belang hierbij is dat het voormelde decreet de opdeciemenregeling die van toepassing op strafrechtelijke geldboeten, uitdrukkelijk ook van toepassing maakt op hogervermelde misdrijven in de VCF (voordien was dit niet het geval). In de praktijk kunnen de geldboetes hierdoor oplopen tot ver boven de 500.000,00 euro. In het Belgische strafrecht worden opdeciemen immers gebruikt om de bedragen van de wettelijke geldboetes, aan te passen aan de muntontwaarding. Het bedrag van de boete moet worden vermenigvuldigd met een factor, die op dit ogenblik 8 bedraagt. De maximale geldboete van 500.000,00 euro bedraagt in werkelijkheid aldus 4.000.000,00 euro.

De verhoging van de geldboetes is er voornamelijk gekomen zodat het Openbaar Ministerie in het kader van een minnelijke schikking, een hoger bedrag kan voorstellen aan de (frauduleuze) belastingplichtige.

Het Openbaar Ministerie kan via een minnelijke schikking immers aan een persoon die verdacht wordt van fiscale fraude, voorstellen om een geldsom te betalen in ruil voor het verval van de strafvordering. Het bedrag van de voorgestelde geldsom kan niet hoger zijn dan de hogervermelde maximale geldboetes, vermeerderd met opdeciemen.

Een minnelijke schikking is evenwel slechts mogelijk na betaling van de verschuldigde belastingen en intresten aan de Vlaamse Belastingdienst.

Verwacht wordt dat deze minnelijke schikkingen sterk aan belang zullen winnen aangezien de Vlaamse fiscale regularisatie op 31 december 2020 eindigde.

De verhoging van de geldboetes trad in werking op 25 april 2021 en geldt enkel voor misdrijven gepleegd vanaf dan. In het strafrecht bestaat er immers een streng verbod op de retroactieve toepassing van een zwaardere straf.

Bron:

  • Decreet van 2 april 2021 houdende diverse technische wijzingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2012 en gerelateerde bepalingen, BS 15 april 2021.
  • Ontwerp van decreet van 4 maart 2021 houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en gerelateerde bepalingen, https://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1675356.

Enkel het bestaan van een economische activiteit (en niet winstgevendheid) relevant om als btw-belastingplichtige te worden gekwalificeerd

Een onderneming die verlies maakt over een lange periode is economisch gezien niet solide, doch fiscaal gezien kan dit wel interessant zijn.

Dit wordt bevestigd door een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 15 september 2020 waarin het Hof de redenering van de fiscus, waarbij deze meent dat uit het feit dat een vennootschap (in casu een paardenfokkerij) die sedert haar oprichting in 1997 steeds verlieslatend is geweest en niet de nodige maatregelen heeft genomen om het tij te keren, kan worden afgeleid dat zij haar activiteiten niet heeft opgebouwd met de bedoeling om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen, verwerpt.

De fiscus stelde dat wegens het gebrek aan winst de belastingplichtige paardenfokkerij een amateur was en geen professioneel, waardoor de kosten niet aftrekbaar zouden zijn. 

Het Hof oordeelt daar duidelijk anders over. Het Hof stelt de verschillen tussen de inkomensbelasting en de btw nogmaals duidelijk.

Er bestaat heel wat rechtspraak m.b.t. de inkomensbelasting omtrent paardenfokkerijen die niet tot doel zouden hebben om winst te maken waarin de rechtbank de redenering van de fiscus volgt. De fiscus meent dan dat de belastingplichtige enkel het stelselmatig verrekenen van verliezen beoogt om op deze manier de te betalen belasting te verlagen. Om die reden worden grote paardenfokkerijen door de fiscus vaak geherkwalificeerd als ‘hobby’ om zo de kostenaftrek te verwerpen.

Wat betreft btw, geldt deze redenering echter niet, daar het winstoogmerk hierbij geen rol speelt.

Artikel 4 §1 van het Btw-Wetboek geeft een definitie van belastingplichtige:

“Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.” [eigen markering]

Enkel het bestaan van een economische activiteit is aldus relevant en niet het winstoogmerk.

Het Hof van Beroep oordeelde in voormeld vonnis d.d. 15.09.2020 dat er sprake was van een duurzame economische activiteit op basis van volgende elementen:  

“De vennootschap bestaat sinds 1997 en is sindsdien onafgebroken met dezelfde activiteiten bezig, waarbij ze steeds paarden heeft gefokt en getraind en paarden en sperma tegen vergoeding heeft verkocht, stallen heeft verhuurd en aan wedstrijden heeft deelgenomen. Dat het aantal verkopen beperkt bleef en dat de onderneming niet de groei kende die ervan verwacht kon worden, neemt niet weg dat er sprake is van een zekere naambekendheid in het milieu, van een substantiële voorraad aan paarden en aan sperma, van de aanwezigheid van de nodige vergunningen, registraties en erkenningen om op professionele wijze raspaarden te fokken, van een uitgebreid personeel en een gevoerde publiciteit en van een professioneel ingerichte infrastructuur.” 

Het Hof stelt daarbij uitdrukkelijk:

“Dat de resultaten van de onderneming tegenvielen, belet aldus niet dat de activiteit erop gericht is om duurzaam inkomsten te verkrijgen en belet niet dat er sprake is van een economische activiteit in de zin van de btw-wetgeving.”

De fiscus gaat via software vaak op zoek naar ondernemingen die gedurende meerdere jaren geen wist maken om voor die ondernemingen de kostenaftrek te kunnen verwerpen. Op het vlak van btw is dit niet steeds terecht.

Bron:

Antwerpen (burg.) (B6Me k.) nr. 2019/AR/518, 15 september 2020

https://atern.io/voortdurend-verlies-maken-hold-your-horses/

De syndicus – initiatiefrecht i.k.v. invordering gemeenschappelijke lasten

Als inwoner van een appartement ben je verantwoordelijk voor je eigen appartement, maar daarnaast ook voor de gemeenschappelijke delen binnen het gebouw. Om die reden ben je van rechtswege lid van de vereniging van mede-eigenaars (VME), een juridische entiteit.

De VME bestaat steeds uit drie wettelijk voorziene organen:

    • De algemene vergadering
    • De syndicus
    • De commissaris van de rekeningen

De syndicus is het orgaan van de VME dat instaat voor het beheer en de vertegenwoordiging van de gemeenschappelijke delen van het gebouw. Vaak wordt er een professionele syndicus aangesteld door de VME.

De syndicus is wettelijk verplicht om minstens één keer per jaar de algemene vergadering bijeen te roepen.

Krachtens artikel 577-8, §4, 3°, 5° en 6° van het Burgerlijk Wetboek heeft de syndicus daarnaast de opdracht om beslissingen genomen door de algemene vergadering van de VME uit te voeren, het vermogen van de VME te beheren en de VME in rechte te vertegenwoordigen.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 19 maart 2021 (AR C.20.0062.N) verduidelijkt dat hieruit volgt dat:

“de syndicus gemachtigd is een procedure tot betaling van voorschotten en achterstallen van lasten van de mede-eigendom in te stellen, zoals die door de algemene vergadering van de mede-eigenaars werden vastgesteld, zonder dat hij daartoe van die algemene vergadering toestemming of bekrachtiging moet verkrijgen en dat hij ook zonder toestemming van of bekrachtiging door de algemene vergadering hoger beroep kan instellen tegen het vonnis waarbij die vordering geheel of gedeeltelijk werd afgewezen”

Indien er achterstallige betalingen zijn door mede-eigenaars, kan de syndicus aldus zonder toestemming van de algemene vergadering, overgaan tot de effectieve invordering van de achterstallen. De syndicus kan dus zonder meer, op eigen initiatief, een advocaat onder de arm nemen om de procedure op te starten.

Om mogelijke discussies echter te vermijden, kan de VME bij de benoeming van de syndicus reeds een volmacht toekennen om hem officieel te machtigen om alle gerechtelijke handelingen te stellen voor een welbepaalde vordering (bv. de invordering van lasten van de mede-eigendom, of geschillen waarvan de waarde een bepaald bedrag niet overschrijdt).

Wenst u meer informatie over dit onderwerp, dan staan wij u graag te woord!

Bron:

    • (1e k.) AR C.20.0062.N, 19 maart 2021 (VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS RESIDENTIE VILLE DE LONDRES / L. V. D., P. V. D.)

Toekomstige wijzigingen aan de lijst niet voor beslag vatbare goederen

Op 8 juli 2019 werd een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van artikel 1408 het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare goederen.

In artikel 1408 Ger.W. is namelijk een lijst opgenomen met alle goederen die niet in beslag kunnen genomen worden:

Ҥ 1. Behalve op zaken, niet vatbaar voor beslag verklaard door bijzondere wetten, mag ook geen beslag worden gelegd:

1° op het nodige bed en beddegoed van de beslagene en van zijn gezin, de kleren en het linnengoed volstrekt noodzakelijk voor hun persoonlijk gebruik alsmede de meubelen nodig om deze op te bergen, een wasmachine en strijkijzer voor het onderhoud van het linnen, de toestellen die noodzakelijk zijn voor de verwarming van de gezinswoning, de tafel en de stoelen die voor de familie een gemeenschappelijke maaltijd mogelijk maken, alsook het vaatwerk en het huishoudgerei dat volstrekt noodzakelijk is voor het gezin, een meubel om het vaatwerk en het huishoudgerei op te bergen, een toestel om warme maaltijden te bereiden, een toestel om voedingsmiddelen te bewaren, één verlichtingstoestel per bewoonde kamer, de voorwerpen die noodzakelijk zijn voor de mindervalide gezinsleden, de voorwerpen die bestemd zijn om te worden gebruikt door de kinderen ten laste die onder hetzelfde dak wonen, de gezelschapsdieren, de voorwerpen en produkten die noodzakelijk zijn voor de lichaamsverzorging en voor het onderhoud van de vertrekken, het gereedschap dat nodig is voor het onderhoud van de tuin, een en ander met uitsluiting van de luxemeubelen en luxeartikelen;

 

2° op de boeken en overige voorwerpen, nodig voor de voortzetting van studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van de kinderen te zijnen laste die onder hetzelfde dak wonen;

3° op de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, tot een waarde van (2.500 EUR) op het tijdstip van het beslag en naar keuze van de beslagene, behalve voor de betaling van de prijs van die goederen;

 4° op de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van de eredienst;

5° op de levensmiddelen en brandstof die de beslagene en zijn gezin voor een maand nodig hebben;

6° een koe, of twaalf schapen of geiten, naar keuze van de beslagene, alsmede een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof, met het stro, voeder en graan, nodig voor het strooisel en de voeding van dat vee gedurende één maand.”

Deze lijst was ingevoerd met als doel een evenwicht te scheppen tussen enerzijds de noodzaak voor de schuldeisers om betaling te krijgen van hun schuldvordering en anderzijds om de beslagene een menswaardig bestaan te garanderen.

Op vandaag is deze lijst sterk verouderd en vermeldt deze zelfs nog zaken zoals “een koe, of twaalf schapen of geiten’.

Het wetsvoorstel heeft dan ook tot doel om de lijst aan te passen aan de moderne tijden van vandaag.

In het voorstel werd aanvankelijk voorgesteld om “een radiotoestel, een televisietoestel, een telefoon, een computer, een printer, en alle benodigdheden voor internetverbinding” op te nemen in de lijst maar deze opsomming bracht heel wat onduidelijkheden met zich mee.

Zo was het niet duidelijk of laptops, mobiele telefoons, tablets, smart-tv’s…ook onder deze opsomming zouden vallen en of het gaat om een toestel per gezin of een toestel per gezinslid.

Om aan deze bedenking tegemoet te komen werd gekozen voor een nieuwe formulering, in te voeren een nieuw punt 2° in het artikel:

“toestellen en benodigdheden voor toegang tot internetverbinding tot een waarde van 500 euro op het tijdstip van het beslag per gezinslid en naar keuze van de beslagene.”

Onder “toestellen en benodigdheden” vallen laptops, mobiele telefoons, tablets en smart-tv’s en –radio’s en “per gezinslid” wordt aanzien als eenieder die onder hetzelfde dak woont als de beslagene.

Om een discriminatie te vermijden tussen een beslagene die een televisie- of radiotoestel bezit waarmee geen internetverbinding kan worden gemaakt en een beslagene die wel een smart-tv of –radio bezit, worden de woorden “één televisietoestel en één radiotoestel” opgenomen in de opsomming van punt 1°.

Daarnaast wordt het artikel dat betrekking heeft op de goederen die een emotionele waarde hebben voor de beslagene geherformuleerd in die zin dat duidelijk wordt gemaakt dat het om meerdere goederen kan gaan zolang de totale waarde op het ogenblik van het beslag op die specifieke goederen niet hoger ligt dan 400 euro. De beslagene zal hierbij ook zelf kunnen kiezen op welke goederen dit slaat.

Vervolgens wordt ook voorgesteld om de termijn voor betwistingen in verband met de onbeslagbare goederen te versoepelen.

Meer bepaald wordt voorgesteld om de termijn waarbinnen de beslagene zijn opmerkingen aan de gerechtsdeurwaarder moet meedelen, te verlengen tot vijftien dagen.

Tot slot werd tijdens de hoorzittingen ook voorgesteld om de minimale termijn tussen de beslaglegging en de openbare verkoop van de beslagen goederen op te trekken van 30 dagen naar 45 dagen.

Het integrale wetsvoorstel kan u terugvinden op de website van de kamer: https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/55/0373/55K0373001.pdf

Bron: Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de niet voor beslag vatbare goederen, DOC 55 0373/001.

Let op voor oplopende kosten bij bestelling via Britse webshops

Een bestelling plaatsen bij een Britse webshop is na de Brexit niet meer hetzelfde als vroeger.

Het Verenigd Koninkrijk is door de Brexit een ‘derde land’ geworden, zoals China, Australië of de Verenigde Staten. De handelsregels die binnen de EU gelden, zijn niet meer van toepassing voor het Verenigd Koninkrijk.

Dit brengt een aantal gevolgen met zich mee en daar lijken Britse webshops niet steeds transparant in te zijn.

    • Btw

Britse webshops dienen geen btw meer te berekenen, in tegenstelling tot een Belgische of Duitse webshop. Dit betekent uiteraard niet dat u geen btw dient te betalen, want het pakje dient wel langs de douane te passeren, waar de Belgische btw zal worden aangerekend.

Webshops maken van deze situatie gretig gebruik door bijvoorbeeld de prijs exclusief btw weer te geven als zijnde een korting. Wees hier dus aandachtig voor.

Tot 1 juli 2021 kunnen pakketjes en producten van maximum 22 euro zonder meer langs de douane passeren. Er zal hierop geen btw verschuldigd zijn.

Als uw pakket meer dan 22 euro waard is, dan is wel de Belgische btw verschuldigd. Afhankelijk van het bestelde product, bedraagt de Belgische btw 0, 6, 12 of 21 %.

Vanaf 1 juli 2021 dient er eveneens btw betaald te worden op producten onder de 22 euro.

    • Invoerrechten

Heeft je pakket een waarde van meer dan 150 euro, dan dienen bovenop de btw ook invoerrechten betaald te worden.

Hoeveel de invoerrechten bedragen, hangt af van het bestelde product. Het is steeds een percentage van de waarde van het product en de verzendingskosten.

De grenzen van 22 euro en 150 euro worden niet toegepast voor bepaalde producten zoals tabak, eau de toilette en parfum.

    • Extra kosten (‘douanekosten’)

Verder rekenen veel webshops nu extra kosten aan en noemen deze ‘douanekosten’. Dit mag niet verward worden met invoerrechten, zoals men zou verwachten.

De zogenaamde ‘douanekosten’ die webshops aanrekenen zijn administratieve, bijkomende kosten die Britse webshops aanrekenen omdat ze geconfronteerd worden met meer administratieve lasten. Ze moeten immers meer formulieren invullen, bestellingen doorgeven, paparassen regelen, die ze vervolgens doorrekenen aan de klant.

    • Administratieve kosten

Tot slot rekenen ook de post- of pakjesbedrijven soms administratieve kosten aan om de bestelling bij de douane aan te bieden en daar de administratieve formaliteiten te doorlopen. De tarieven worden gekozen door de postbedrijven zelf.

De kosten bij een bestelling uit het Verenigd Koninkrijk kunnen dus duidelijk hoog oplopen.

De btw-kosten en invoerrechten dienen betaald te worden aan de postbode of koerier die het pakket komt leveren. Zij overhandigen een betalingsbewijs en zorgen dat het geld bij de douane terecht komt.

Ga dus goed na welke kosten er al in rekening zijn gebracht door de webshop en schrik er niet van dat er op een pakket extra kosten zullen moeten betaald worden aan de postbode of koerier, (zelfs als de webshop beweert dat alles inclusief is).

Bron:

 

BTW Verlaagd tarief van 6%: ook voor sociale huisvesting?

In een newsflash van 6 februari 2021 informeerden wij u over het verlaagd BTW tarief van 6% voor de afbraak en heropbouw van woningen.

Voortaan is deze regeling namelijk niet meer beperkt tot de 32 centrumsteden maar is deze tijdelijk uitgebreid tot het gehele grondgebied van het land en dit tot 31 december 2022.

Met de invoering van het verlaagd BTW tarief wil de overheid het namelijk gemakkelijker maken voor burgers en gezinnen om tegen lagere kosten een nieuwe woning te bouwen en te verwerven.

Zoals u reeds meegedeeld kan het verlaagd BTW tarief worden toegepast wanneer een bouwheer/koper (natuurlijke persoon) een gebouw laat afbreken met de bedoeling om het herop te bouwen en het zelf te bewonen.

Er moet namelijk gedurende een periode van 5 jaar sprake zijn van de enige en eigen woning en dit met een totale bewoonbare oppervlakte van maximaal 200 m2.

Aan de minister van Financiën werd de vraag gesteld of deze regeling ook van toepassing is ingeval de heropgebouwde woning door de bouwheer (natuurlijke persoon) wordt aangewend als een zorgwoning en aldus in de woning een persoon huisvest in kader van het Vlaamse zorgwonen.

Meer specifiek werd de vraag gesteld of de zorgwoning aangemerkt wordt als twee afzonderlijke wooneenheden voor de berekening van de totale bewoonbare oppervlakte per wooneenheid van maximum 200 m2.

In de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt een zorgwoning namelijk omschreven als een gebouw waarbij een hoofdwooneenheid en een ondergeschikte wooneenheid worden gecreëerd, waarbij twee gezinnen gehuisvest worden.

De minister beantwoordde deze vraag als volgt:

“Het zorgwonen wordt in Vlaanderen omschreven als het creëren van een kleinere en ondergeschikte woongelegenheid binnen een bestaande woning, zodat maximaal twee oudere of hulpbehoevende personen kunnen inwonen.

De ondergeschikte wooneenheid moet één fysiek geheel vormen met de hoofdwoning en het mag niet gaan om een vrijstaand bijgebouw of mobiele zorgunit.

Bovendien mag de ondergeschikte wooneenheid inderdaad ten hoogste één derde uitmaken van het bouwvolume van de volledige woning, waarbij de ruimten die gedeeld worden met de hoofdwoning niet worden meegerekend.

Het is, tot slot, noodzakelijk dat de hoofdwoning en ondergeschikte wooneenheid aan dezelfde blote eigenaar toebehoren.

Wanneer de bouwheer een zorgwoning bouwt die moet worden aangemerkt als een eengezinswoning omdat het niet gaat om zelfstandige wooneenheden, zoals bijvoorbeeld bij appartementen, vormt de zorgwoning één geheel, waarvan de maximale bewoonbare oppervlakte beperkt is tot 20 m² voor de toepassing van het verlaagde BTW-tarief.

 De oppervlakten van alle woonvertrekken van deze zorgwoning moeten dan evenwel worden samengeteld.

Wanneer de zorgwoning toch wordt aangemerkt als een meergezinswoning, wat moet blijken uit feitelijke elementen, en de bouwheer eigenaar is van beide woningen, is in zijn hoofde niet voldaan aan het criterium inzake ‘enige woning’.”

Kortom, wanneer de zorgwoning wordt aangemerkt als een meergezinswoning, waarbij aldus sprake is van zelfstandige wooneenheden, is in dat geval niet voldaan aan de voorwaarde van de enige woning.

Indien daarentegen de zorgwoning wordt aangemerkt als een eengezinswoning omdat er geen sprake is van zelfstandige wooneenheden, dan kan het verlaagde BTW tarief wel van toepassing zijn ingeval de maximale bewoonbare oppervlakte beperkt is tot 200 m2.

Om deze maximale oppervlakte te berekenen moeten alle woonvertrekken van de zorgwoning worden samengeteld.

Bron:

Integraal Verslag, Kamercommissie Financiën, 10 februari 2021, nr. 55 COM 376, 2. https://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/55/ic376.pdf

Nieuw fiscaal voordeel: belastingvermindering kwijtschelding huur

Op 1 april 2021 werd het Wetsontwerp houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie aangenomen in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

In Hoofdstuk 4 is het Belastingvoordeel voor de kwijtschelding van de huur opgenomen.

Wie een pand verhuurt aan een onderneming die verplicht heeft moeten sluiten omwille van de coronamaatregelen en het geheel of een gedeelte van de huurprijs in de maanden maart, april en mei 2021 kwijtscheldt, kan onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een belastingvermindering van 30% van de kwijtgescholden huurprijs.

De verhuurder mag maximaal 5.000 EUR per maand en per overeenkomst kwijtschelden, met een maximum van 45.000 EUR per maand.

 Voorwaarden huurder

    • De huurder moet voor de periode waarvoor de huur wordt kwijtgescholden een zelfstandige zijn in hoofdberoep, kleine vennootschap of kleine vereniging.
    • De huurder moet volgens de KBO effectief een ondernemingsactiviteit uitoefenen in het verhuurde pand. Ondernemingen die hun activiteit hebben stopgezet of in vereffening zijn, komen niet in aanmerking.
    • De huurder heeft de vestiging in het pand verplicht moeten sluiten ingevolge de coronamaatregelen die werden genomen vanaf 12/03/2020.
    • De huurder had geen huurachterstallen voor 12/03/2020.
    • De huurder is op ogenblik van de kwijtschelding van de huur geen onderneming in moeilijkheden.

 Voorwaarden verhuurder

    • De verhuurder is een particulier of beroepsmatige verhuurder.
    • De verhuurder verhuurt een in België gelegen pand waarvan hij eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of bezitter is.
    • De huurder heeft de huurprijs en huurvoordelen voor het gedeelte van het pand dat voor de ondernemingsactiviteit wordt aangewend, (gedeeltelijk) kwijtgescholden voor de maanden maart, april en/of mei 2021.

 Voorwaarden inzake de verhouding huurder-verhuurder

Er mag geen band bestaan tussen de huurder en de verhuurder.

Als de huurder een natuurlijk persoon is, houdt dit in dat de verhuurder niet zijn echtgenoot, wettelijk/feitelijk samenwonende partner mag zijn, noch zijn kind, ouder, broer of zus.

Als de huurder een vennootschap is, houdt dit in dat de verhuurder, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner of andere persoon die deel uitmaakt van zijn gezin, geen bedrijfsleider mag zijn in de betrokken vennootschap, ook niet als vaste vertegenwoordiger of via een managementvennootschap.

De verhuurder en zijn echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of andere persoon van diens gezin, mogen samen geen 30% van het eigen vermogen van de vennootschap vertegenwoordigen.

Deze regels gelden eveneens voor de ouders, kinderen, broers of zussen van de verhuurder.

 Voorwaarden inzake de kwijtschelding

De belastingvermindering kan worden genoten indien de huur wordt kwijtgescholden voor de maanden maart, april en mei 2021 en dit onder de volgende voorwaarden:

    • De kwijtschelding betreft zowel de huurprijs als de huurvoordelen.
    • De kwijtschelding heeft de vorm van een opschorting van de verplichting om de huurprijs geheel of gedeeltelijk te betalen.
    • Als de huur gedeeltelijk wordt kwijtgescholden, moet minstens van 40% van de huurprijs en -voordelen worden kwijtgescholden.
    • De kwijtschelding moet vrijwillig zijn (niet bv. op basis van een beslissing van de rechter).
    • De kwijtschelding moet schriftelijk worden vastgelegd in een overeenkomst. Een afschrift van deze overeenkomst moet voor 15 juli 2021 aan de Administratie worden bezorgd.
    • De kwijtschelding is definitief en onherroepelijk.

 Bedrag belastingvermindering

Het belastingvoordeel bedraagt 30% van de kwijtgescholden huurprijs en huurvoordelen voor de maanden maart, april en mei 2021.

Als de huurprijs en de huurvoordelen niet per maand worden betaald, maar bijvoorbeeld per kwartaal, dan worden deze pro rata temporis bepaald.

Het voordeel kan niet meer bedragen dan 5000 EUR per maand per huurovereenkomst, met een maximum van 45.000 EUR over alle huurovereenkomsten heen.

Het fiscaal voordeel zal aldus maximaal 13.500 EUR bedragen.

Indien er meerdere verhuurders zijn, wordt het maximumbedrag van 5000 EUR verdeeld over die verhuurders, in functie van hun aandeel in de huur.

Bron:

Wetsontwerp van 16 maart 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/55/1851/55K1851001.pdf

https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/subsidiedatabank/belastingvoordeel-kwijtschelding-huur-coronavirus#:~:text=Wie%20een%20pand%20verhuurt%20aan,maart%2C%20april%20en%2Fof%20mei

Vernieuwingen op komst op vlak van fiscale controles

Op 5 maart 2021 werd kenbaar gemaakt dat de ministerraad twee voorontwerpen van wet goed heeft gekeurd houdende diverse bepalingen inzake fiscaliteit en BTW.

Het betreft met name het “Voorontwerp van wet houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten” en het “Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde”.

In het eerste voorontwerp houdende diverse fiscale bepalingen worden voornamelijk correcties aangebracht betreffende de inkomstenbelastingen, het Wetboek diverse rechten en taksen, de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat en de fiscale procedure, alsook een bepaling tot wijziging van de  anti-witwaswet.

Één van deze wijzigingen betreft het boekenonderzoek ‘ter plaatse’ in kader van een fiscale controle.

In een nieuwflash van 10 oktober 2020 deelden wij u reeds mee dat in artikel 63 WBTW een fiscaal visitatierecht is voorzien waarbij de belastingplichtige verplicht wordt om de ambtenaren vrije toegang te verlenen tot de ruimten waar de activiteiten worden uitgeoefend.

In kader van deze visitatie mag de bevoegde ambtenaar de boeken en stukken onderzoeken die zich aldaar bevinden.

In artikel 61 van dit wetboek is eveneens voorzien dat de belastingplichtige gehouden is de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken die hij moet bewaren, op verzoek van de administratie, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijn hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Met het voorontwerp van wet wordt nu voorzien om een bepaling in artikel 61 in te voegen dat de belastingplichtige verplicht om de digitaal beschikbare boeken en bescheiden ter beschikking te stellen via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën (nieuw artikel 61, §1, lid 5 WBTW).

Deze wijziging zal eveneens ingevoerd worden op vlak van de inkomstenbelasting (nieuw artikel 315bis, lid 4 WIB 1992) en zal de administratie de mogelijkheid geven om een boekenonderzoek uit te voeren zonder zich hiervoor te hoeven verplaatsen. De administratie zal zich gewoonweg de digitaal beschikbare bescheiden en onderzoeken elektronisch kunnen laten toezenden.

Het voorontwerp van wet ligt momenteel ter advies bij de Raad van State voor.

Er is nog geen datum bekend waarop deze wijziging in werking zal treden.

Wenst u hierover meer informatie dan kan u steeds terecht bij Eska-Law advocaten.

Contacteer ons