Reclame voeren als zorgverlener: wat is toegelaten?

In een digitaal versnelde wereld kan u zich vandaag de vraag stellen welke reclame u als zorgverlener voor uw praktijk mag voeren.

Onder het oude artikel 127 van de GVU-wet (opgeheven op 19 maart 2013) was voorzien dat u als zorgverlener voor de organisatie van de terugbetaalde zorgverstrekkingen enkel publiciteit onder bepaalde voorwaarden mocht maken. Zo mocht u onder meer publiciteit voeren over uw opening, uw openingsuren, een wijziging van uw adres, … op voorwaarde dat deze informatie slechts één keer werd verstrekt tijdens een periode van 15 dagen vooraleer deze toestanden of wijzigingen zich voordeden. Na deze termijn van 15 dagen mocht deze publiciteit niet meer worden gevoerd.

 Artikel 64 Wet 30 oktober 2018 (tot 1 juli 2022)

Naar aanleiding van het arrest Vanderborght werd in de Wet van 30 oktober 2018 betreffende de diverse bepalingen inzake gezondheid, artikel 64 ingevoerd dat stipuleert welke praktijkinformatie u als zorgverlener mag kenbaar maken:

Artikel 64:

“De beroepsbeoefenaar bedoeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 en de beoefenaar van een niet-conventionele praktijk bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, mag zijn praktijkvoering aan het publiek enkel kenbaar maken onder volgende voorwaarden:

1° de praktijkinformatie moet waarheidsgetrouw, objectief, relevant en verifieerbaar zijn en ze moet wetenschappelijk onderbouwd zijn;

2° de praktijkinformatie mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen noch mag ze de ronseling van patiënten tot doel hebben.

De praktijkinformatie vermeldt de bijzondere beroepstitel(s) waarover de gezondheidszorgbeoefenaar beschikt. Deze bepaling sluit niet uit dat de gezondheidszorgbeoefenaar ook kan informeren over bepaalde opleidingen waarvoor geen bijzondere beroepstitel bestaat.”

Belangrijk hierbij op te merken is dat bovenstaande voorwaarden ook moeten nageleefd worden bij het gebruik van sociale media. Volgens de memorie van toelichting zijn deze voorwaarden namelijk algemeen geformuleerd en moeten deze worden nageleefd ongeacht de plaats, drager of aangewende technieken. Hierin zijn ook reality-tv uitzendingen begrepen.

Dit artikel is van toepassing sinds 26 november 2018 en blijft op vandaag gelden tot de inwerkingtreding van de nieuwe kwaliteitswet op 1 juli 2022.

Artikel 31 Kwaliteitswet (vanaf 1 juli 2022)

Met de nieuwe kwaliteitswet komt artikel 31 in de plaats van artikel 64 van de Wet van 30 oktober 2018.

Artikel 31:

        • 1. De gezondheidszorgbeoefenaar mag praktijkinformatie aan het publiek kenbaar maken.
          Voor de toepassing van dit artikel wordt onder praktijkinformatie verstaan iedere vorm van mededeling die rechtstreeks en specifiek, ongeacht de daartoe aangewende plaats, drager of aangewende technieken, tot doel heeft een gezondheidszorgbeoefenaar te laten kennen of informatie te verstrekken over de aard van zijn beroepspraktijk.

        • 2. De gezondheidszorgbeoefenaar mag praktijkinformatie enkel aan het publiek kenbaar maken mits de hierna volgende voorwaarden worden nageleefd:

1° de praktijkinformatie moet waarheidsgetrouw, objectief, relevant en verifieerbaar zijn en ze moet wetenschappelijk onderbouwd zijn;

2° de praktijkinformatie mag niet aanzetten tot overbodige onderzoeken of behandelingen noch mag ze de ronseling van patiënten tot doel hebben.

De praktijkinformatie vermeldt de bijzondere beroepstitel(s) waarover de gezondheidszorgbeoefenaar beschikt. Deze bepaling sluit niet uit dat de gezondheidszorgbeoefenaar ook kan informeren over bepaalde opleidingen waarvoor geen bijzondere beroepstitel bestaat.

U mag als zorgverlener aldus praktijkinformatie (onder bepaalde voorwaarden) aan het publiek kenbaar maken maar dit wil niet zeggen dat u reclame mag voeren.

Elke vorm van promotie of een verkoopsbevorderend opzet is namelijk verboden.

Verbod op reclame

Alle zorgverleners zullen de bepalingen inzake de praktijkinformatie strikt dienen na te leven, waarbij u als zorgverlener enkel informatie mag kenbaar maken onder specifieke voorwaarden waarbij deze praktijkinformatie niet het oogmerk mag hebben om patiënten te ronselen.

De niet-naleving van deze bepalingen kan ertoe leiden dat aan de zorgverlener een verbeterplan wordt voorgelegd door de minister dat binnen een bepaalde (éénmaal hernieuwbaar) termijn moet worden uitgevoerd.

Bij een herhaalde schending kan de minister zelfs overgaan tot een schorsing of intrekking van het visum van de zorgverlener.

Het is belangrijk dat u als zorgverlener er hierbij over waakt dat u geen ‘reclame’ voert, nu de wetgever een algemeen en absoluut reclameverbod heeft ingevoerd voor alle zorgverleners.

Bronnen:

Wet 30 oktober 2018 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid: http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2018103006&table_name=wet

Wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2019042220&table_name=wet

VANSWEEVELT, S. TACK, F. DEWALLENS, S. CALLENS, T. GOFFIN, T. BALTHAZAR, R. HEYLEN, A; VANHOVE, E. DELBEKE, N. BROECKX en S. LIERMAN, De kwaliteitswet, 2020, Brussel, Intersentia, 81-120.

 

Aanpassing btw-vrijstelling voor medische behandelingen

Alle medische behandelingen zonder therapeutisch doel zullen vanaf 1 januari 2022 onderworpen worden aan btw, ook als ze verstrekt worden door een gereglementeerd arts.

Op heden stelt de wet enkel dat ‘esthetische ingrepen’ uitgesloten zijn van de btw-vrijstelling. Deze vrijstelling wordt vanaf volgend jaar dus verruimd naar ‘ingrepen en behandelingen zonder therapeutisch doel’.

Verder wordt er vanaf 1 januari 2022 bepaald dat alle beroepsbeoefenaars een vrijstelling kunnen krijgen als ze over de ‘noodzakelijke kwalificaties beschikken om verzorging te verlenen waarvan het kwaliteitsniveau voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan de verzorging die wordt geboden door een gereglementeerd beroep’.

De btw-vrijstelling voor behandelingen met therapeutisch doel is vanaf dan niet langer voorbehouden voor gereglementeerde zorgverleners. Het volstaat dat de zorgverleners over de noodzakelijke kennis en kwalificaties beschikken. Osteopaten, chiropractors en dergelijke hoeven dus geen btw aan te rekenen als ze over de correcte kwalificaties beschikken.

De beperking van de btw-vrijstelling voor behandelingen met therapeutisch doel geldt evenzeer binnen ziekenhuizen en andere zorginstellingen.

Voor ziekenhuizen en andere zorginstellingen wordt tevens bepaalt dat de vrijstelling niet geldt voor diensten en goederen als:

      • zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;
      • zij in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de belasting onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen.

Bron:

BTW bij een bezoek aan de tandarts en kinesist

Op vandaag zijn alle behandelingen uitgevoerd door een tandarts en kinesist vrijgesteld indien deze vallen onder de uitoefening van hun beroep.

Gaat u bijvoorbeeld op jaarlijkse controle bij de tandarts, dan dient u hiervoor geen BTW te betalen.

Als algemene regel geldt namelijk een BTW-vrijstelling op de prestaties als tandarts en kinesist, tenzij sprake is van een louter esthetische ingreep of behandeling.

Met een arrest van 5 december 2019 (nr. 149/2019) werd echter de BTW-vrijstelling door het Grondwettelijk Hof op de helling gezet en werden de bestaande bepalingen m.b.t. de BTW-vrijstelling inzake medische verzorging, grotendeels vernietigd.

Zo zijn sinds 1 januari 2016 louter esthetische ingrepen of behandelingen uitgesloten van de BTW-vrijstelling en is op deze verstrekkingen 21% BTW verschuldigd.

Het Hof oordeelde namelijk dat meerdere bepalingen m.b.t. de BTW-vrijstelling voor medische behandelingen, niet in overeenstemming waren met de Europese BTW-richtlijn.

Deze uitspraak van het Grondwettelijk Hof krijgt nu ook een vervolg in de wetgeving.

Op 1 juli 2021 gaf de plenaire Kamer goedkeuring voor het wetsontwerp dat de BTW-vrijstelling in de medische zorgsector inperkt.

De bedoeling van het wetsontwerp is dan ook om tegemoet te komen aan de kritiek van het Grondwettelijk Hof.

Zo zal artikel 44,§§1 en 2 van het btw-wetboek gewijzigd worden inzake de btw-vrijstelling mbt medische verzorging en zal de BTW-vrijstelling worden beperkt tot enkel behandelingen en ingrepen met een therapeutisch doel.

Welke behandelingen en ingrepen onder dit begrip zullen vallen en welke behandelingen wél BTW-plichtig zullen zijn, is echter nog niet duidelijk.

Dit zal verder gespecifieerd worden in een omzendbrief van de fiscus na overleg met de sector.

De inwerkingtreding van deze nieuwe bepalingen is alvast voorzien op 1 januari 2022.

 Bron:

      • Arrest Grondwettelijk Hof nr. 194/2019 d.d. 5 december 2019
      • Richtlijn 2006/112/EG
      • Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de vrijstelling van de belasting inzake medische verzorging betreft (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1369/001):

https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=/flwb&language=nl&cfm=/site/wwwcfm/flwb/flwbn.cfm?legislist=legisnr&dossierID=1369

Het aanrekenen van verstrekkingen als zorgverlener die niet in de nomenclatuur opgenomen zijn

Als zorgverlener bent u vermoedelijk al vaak geconfronteerd geweest met het probleem dat niet voor elke verstrekking een nomenclatuurnummer bestaat.

Kan u als zorgverlener in dit geval uw verstrekkingen aanrekenen die niet in de nomenclatuur voorzien zijn? Het antwoord hierop is dubbel.

Ja, u kan deze verstrekkingen aanrekenen indien u zichzelf hiervoor bekwaam acht maar deze verstrekkingen zullen niet terugbetaald kunnen betaald worden door de ziekteverzekering aan de patiënt.

Een verstrekking is namelijk pas terugbetaald wanneer zij is opgenomen in de nomenclatuur, werd uitgevoerd in overeenkomst met de bepalingen van de nomenclatuur en overeenstemmen met uw bevoegdheid als zorgverlener.

Is dit niet het geval, dan zal de patiënt uw honoraria zelf volledig ten laste moeten nemen.

Het is belangrijk om in dit geval enkele punten indachtig te houden.

Zo zal u de patiënt op voorhand moeten informeren over het feit dat de verstrekking niet zal terugbetaald worden door de ziekteverzekering en hij/zij zelf volledig dient in te staan voor uw honoraria.

Daarnaast hoeft u geen getuigschrift van geneeskundige hulp aan de patiënt te verstrekken. De patiënt heeft wel het recht om u een ontvangstbewijs te vragen.

Opgelet: Voert u tegelijkertijd een door de ziekteverzekering vergoedbare verstrekking en een niet-vergoedbare verstrekking uit, dan zal u wél een bewijsstuk moeten meegeven aan de patiënt.

Bovendien mag u zich niet laten verleiden om uw niet-vergoedbare verstrekking onder een ander nomenclatuurnummer te tariferen.

Bij een controle door het RIZIV is de sanctie hierop namelijk zeer groot.

Indien wordt vastgesteld dat u onrechtmatig tarifeert onder een nomenclatuurnummer, kan u een terugbetaling worden opgelegd gelijk aan het onverschuldigde bedrag, alsook een administratieve geldboete tot 200% van het terug te betalen bedrag.

Indien u meer informatie wenst over dit onderwerp, of u wordt geconfronteerd met een RIZIV-controle, aarzel dan niet ons te contacteren!

Bron: Infobox RIZIV, wegwijzer voor de verpleegkundige in de thuiszorg, oktober 2017.

Aansprakelijkheid van de arts bij mislukte esthetische ingrepen

Meer en meer mensen kiezen ervoor een bezoek te brengen aan de plastisch chirurg/esthetisch geneesheer voor allerlei zaken: van vollere lippen, het wegwerken van rimpels tot een neuscorrectie of een volledige facelift.

Het komt wel eens voor dat een dergelijke ingreep mislukt. Dit brengt het nodige leed, verdriet en schaamte met zich mee.

De vraag stelt zich of de arts die de ingreep uitvoerde, hiervoor aansprakelijk is.

Het antwoord hangt af van het feit of er op de arts een inspanningsverbintenis dan wel een resultaatsverbintenis rustte bij het uitvoeren van de ingreep.

Een resultaatsverbintenis houdt in dat de schuldenaar (in dit geval de arts) zich ertoe verbindt een welbepaald resultaat te bereiken. Men kan de schuldenaar steeds aansprakelijk stellen wanneer het resultaat niet wordt bereikt, ongeacht of de schuldenaar een fout heeft gemaakt of niet. Het enige wat dient aangetoond te worden is dat het afgesproken resultaat er niet is.

Een inspanningsverbintenis (ook wel middelenverbintenis genoemd) daarentegen betekent dat de schuldenaar zich ertoe verbindt om de nodige inspanningen te leveren om een welbepaald resultaat te bereiken, doch zonder garantie op het uiteindelijk resultaat. Om de schuldenaar aansprakelijk te kunnen stellen in dit geval, moet de schuldeiser (hier de patiënt) aantonen dat de arts niet heeft gehandeld als een normaal zorgvuldig arts in dezelfde omstandigheden geplaatst. De bewijslast is aldus veel zwaarder in dit geval.

De wet bepaalt niet wanneer men te maken heeft met een inspannings- dan wel resultaatsverbintenis. Het is aan de rechter om hierover in elk concreet geval te oordelen.

Algemeen is de regel dat hoe onzekerder het nagestreefde doel, hoe groter de kans dat het een inspanningsverbintenis betreft.

In de rechtspraak en rechtsleer wordt meestal geoordeeld dat er op de arts slechts een inspanningsverbintenis rust. De arts verbindt er zich toe alle middelen aan te wenden die de huidige medische wetenschap ter beschikking stelt om een welbepaald resultaat na te streven, het resultaat zelf is volgens de heersende rechtspraak echter niet gewaarborgd. Complicaties zijn in de geneeskunde immers steeds mogelijk.

Doch, op deze regel bestaan uiteraard uitzonderingen.

Indien er uitdrukkelijk in de overeenkomst tussen esthetisch geneesheer en patiënt een welbepaald resultaat werd gegarandeerd, dan rust er op de arts wel degelijk een resultaatsverbintenis.

Het Hof van Cassatie oordeelde in haar arrest van 15 januari 2010 bijvoorbeeld dat de geneesheer een resultaatsverbintenis aangaat “als zij is afgeleid uit de impliciete wil van de partijen en erop wijst dat die geneesheer voordat hij die ingreep verrichte, had toegegeven dat hijzelf nog geen enkele mislukking had meegemaakt”.

Bron:

    • Arrest Hof van Cassatie d.d. 15.01.2010 (09.0138.F)

Het belang van een voorschrift in een verpleegkundig dossier

Een verpleegdossier dient verschillende gegevens te bevatten. Ingeval van een onvolledig verpleegdossier heeft u namelijk geen recht op een vergoeding.

Één van deze gegevens betreft de inhoud van het voorschrift.

Voor alle verpleegkundige verstrekkingen vereist de nomenclatuur namelijk een voorschrift.

Slechts voor 4 verstrekkingen is er geen voorschrift vereist:

    • het toilet;
    • bezoek van de referentieverpleegkundige bij specifieke wondzorg;
    • het verpleegkundig consult;
    • het toezicht op een wonde met bioactief verband gedurende de periode waarvoor het verzorgen van een wonde is voorgeschreven.

Daarnaast dient het voorschrift ook te voldoen aan bepaalde specifieke vereisten.

Zo moet het voorschrift verplicht de volgende gegevens vermelden:

    • de identificatie van de patiënt: naam, voornaam, adres, hoedanigheid en inschrijvingsnummer;
    • de identiteit van de voorschrijver: naam adres en RIZIV-nummer;
    • manuele handtekening van de voorschrijver;
    • datum;
    • de aard, het aantal en de frequentie van de te verlenen verzorging.

Opgelet: De vermelding van enkel het nomenclatuurnummer wordt aanzien als onvoldoende. Het voorschrift moet namelijk alle nodige gegevens bevatten om de aangerekende verzorging te kunnen identificeren.

Afhankelijk van de verzorging, dient het voorschrift nog een aantal bijkomende vermeldingen te bevatten.

Wondzorg:

    • omschrijving van de wonde
    • maximale frequentie van de verzorging
    • posologie van de geneesmiddelen
    • periode van de wondverzorging

Geneesmiddelen en medicamenteuze oplossingen:

    • aard en dosis van het toe te dienen product

Medicatie aan chronische patiënten (425736, 425751):

    • vermelding van de periode van toediening en niet het aantal verstrekkingen

Enterale en parenterale voeding of perfusies:

    • debiet en de hoeveelheid per 24 uur

Het is heel belangrijk om telkens na te gaan of het voorschrift de vereiste gegevens bevat. Indien dit niet zo is, dan zal bij een controle door het RIZIV sprake zijn van een inbreuk categorie 2 “niet-conforme verstrekking”.

Op dergelijke inbreuk bestaat de sanctie uit de terugbetaling van het onverschuldigd bedrag en/of een administratieve geldboete van 5% tot 150% van het terug te betalen bedrag.

Een niet correct voorschrift kan aldus zware gevolgen hebben.

Belangrijk hierbij op te merken is dat u als verpleegkundige de prestaties zal moeten terugbetalen en niet de voorschrijvende arts.

Tot slot is zeer belangrijk dat u zelf nooit een wijziging aanbrengt op het voorschrift. Indien u opmerkt dat het voorschrift niet correct of onvolledig is, raadpleeg hiervoor dan steeds de arts met de vraag om dit aan te passen.

Bron: Infobox RIZIV Wegwijzer voor de verpleegkundige in de thuiszorg (oktober 2017)

Hoe weet je als zorgverlener dat er een controle van het RIZIV bezig is?

Een controle door het RIZIV komt meestal totaal onverwacht. Toch zijn er een aantal knipperlichten aan de hand waardoor u kan vermoeden dat het RIZIV een onderzoek heeft opgestart.

Waarom start het RIZIV een onderzoek?

Het RIZIV, meer bepaald de Dienst voor Geneeskundige Verstrekkingen (DGEC), kan een onderzoek starten omwille van verschillende redenen.

    1. Zo kan het voorkomen dat een klacht werd ingediend of een melding is verricht door bijvoorbeeld een patiënt of zelfs een andere zorgverlener.

      De DGEC zal deze klacht of melding behandelen en beslissen of een onderzoek naar de desbetreffende zorgverlener wordt opgestart.

      Bij een onderzoek door het RIZIV zal u meestal niet te weten komen wie de klacht of melding heeft ingediend. Een sociaal inspecteur heeft namelijk een geheimhoudingsplicht en mag u de identiteit van deze persoon niet meedelen, tenzij de indiener van de klacht of melding hiervoor zijn uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven.

    1. Daarnaast kan de DGEC ook beslissen om zelf een onderzoek op te starten wanneer zij onregelmatigheden hebben opgemerkt in de analyse van uw activiteiten. Heeft u bijvoorbeeld een bepaalde periode veel meer verstrekkingen verricht dan normaal? Dan kan het zijn dat dit een alarmbel heeft laten afgaan.
    2. Tot slot kunnen ook verschillende instanties de DGEC verzoeken om een onderzoek in te stellen zoals onder meer de profielencommissies. Dit zijn commissies die gegevens verzamelen van een zorgverlener een activiteitenprofiel van deze zorgverlener opmaken. Deze commissies kunnen de zorgverlener vragen om hun praktijk toe te lichten. Wordt hierop geen afdoende antwoord gegeven, dan kan de commissie de zaak overdragen aan de DGEC tot verder onderzoek.

Hoe detecteren dat het RIZIV een onderzoek voert?

Ingeval van een onderzoek zal het RIZIV u als zorgverlener in laatste instantie contacteren, vaak met een uitnodiging tot een verhoor.

In dat geval zal het RIZIV al een uitgebreid onderzoek gevoerd hebben om het dossier samen te stellen.

Zo zal het RIZIV al langsgaan bij uw patiënten.

Bent u verpleegkundige? Dan kan het RIZIV ook langsgaan bij de huisartsen van uw patiënten.

Dit zijn duidelijke knipperlichten aan de hand waarvan u als zorgverlener kan weten dat een onderzoek gaande is.

Wees aldus zeer aandachtig bij uw patiënten. Zij zijn namelijk vaak de eerste personen bij wie het RIZIV langsgaat ingeval van een controle.

Krijgt u te horen dat het RIZIV langsgaat bij uw patiënten of huisartsen? Aarzel dan niet om ons te contacteren

Het belang van overeenkomsten in de verpleegkundige zorgsector

Drie belangrijke overeenkomsten die u beter sluit met uw zelfstandige medewerker en waarom zijn deze zo belangrijk?

Lastgevingsovereenkomst

Het belang van de lastgevingsovereenkomst bestaat in de toestemming van de individuele zelfstandige verpleegkundige (verstrekker) aan de praktijk voor de tarificatie van de verstrekkingen.

Daarnaast is de lastgevingsovereenkomst ook belangrijk om uw aansprakelijkheid te beperken bij een veroordeling door het RIZIV. Zonder deze overeenkomst zal de aansprakelijkheid voor de uitgevoerde prestaties door de individueel zelfstandige verpleegkundigen namelijk volledig ten uwe laste vallen en zal u deze niet kunnen terugvorderen van deze personen die eigenlijk in fout zijn.

Samenwerkingsovereenkomst

Werkt u met zelfstandigen in uw groepspraktijk? Dan is het belangrijk op voorhand goede afspraken te maken en deze vast te leggen in een samenwerkingsovereenkomst.

Op deze manier vermijdt u later discussies en problemen nu alle rechten en verplichtingen contractueel zijn afgekaderd.

Een samenwerkingsovereenkomst kan u op maat van uw praktijk opmaken.

Voorzie in de samenwerkingsovereenkomst een sluitend niet-concurrentiebeding en voorkom het gevaar dat de individuele zelfstandige verpleegkundige na de beëindiging van de samenwerking uw patiënten gaat ronselen. Voor meer info hieromtrent verwijzen wij naar onze blogpost van 31 mei 2021.

Bij ontslag kan u eveneens een opzeggingstermijn en/of vergoeding voorzien zodat de continuïteit van de verzorging gedurende een bepaalde overbruggingsperiode wordt gegarandeerd in afwachting van de invulling van de functie door een nieuwe zelfstandige verpleegkundige.

Vervolgens kan u alvast in de samenwerkingsovereenkomst een bemiddelingsclausule opnemen, waarbij u kiest om bij voorkeur een eventueel geschil via bemiddeling te regelen en pas in laatste orde voor de rechtbank. Voor meer info omtrent bemiddeling verwijzen wij naar onze site www.eskamediation.be.

Verwerkersovereenkomst

Met de nieuwe privacyregelgeving is het belangrijk dat u met uw medewerkers een verwerkersovereenkomst sluit. Zonder deze overeenkomst bent u namelijk niet toegelaten om de persoonsgegevens van uw medewerker te verwerken en zal u zelfs de vergoeding niet kunnen uitkeren.

Heeft u een website? Zorg dat u dan ook in orde bent met de privacywetgeving en voorzie een privacypolicy en cookiepolicy.

Wenst u hierover meer informatie of heeft u een vraag voor ons? Aarzel dan niet ons te contacteren.

Inwerkingtreding Wet Kwaliteitsvolle praktijkuitvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet) Uitgesteld

In een blogpost van 9 mei 2021 informeerden wij u over de nieuwe Wet inzake kwaliteitsvolle praktijkuitvoering in de gezondheidszorg (Kwaliteitswet) en de nieuwe verplichtingen die u ter bescherming van de privacy van de patiënt als zorgverlener dient na te leven.

Daarnaast bevat de wet een reeks maatregelen die de kwaliteit en de veiligheid van de patiënt moeten garanderen.

De inwerkingtreding van de kwaliteitswet was voorzien op 1 juli 2021 maar in een brief van 12 mei 2021 uitgaande van minister Frank Vandenbroucke wordt medegedeeld dat de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.

Bij het opstellen van de wet krijgen zowel gezondheidsbeoefenaars, patiënten en andere betrokken inspraak, maar omwille van de huidige gezondheidscrisis beschikten de gezondheidsberoepsbeoefenaars en de administratie van de minister over onvoldoende tijd om de principes van de wet tijdig om te zetten in de praktijk.

Om die reden wordt de inwerkingtreding van de kwaliteitswet met één jaar uitgesteld.

Er zal optimaal gebruik worden gemaakt van dit uitstel om verschillende concepten zoals bepaald in de wet verder uit te werken en de resterende hiaten of onduidelijkheden die er nog bestaan, uit te klaren.

De minister benadrukt evenwel dat zijn diensten het nodige zullen doen opdat de wet op 1 juli 2022 in werking kan treden en dit op een wijze waarbij de verplichtingen van de gezondheidsbeoefenaars en de rechten van de patiënten in de wet duidelijk zijn en voorzien worden van de nodige technische ondersteuning.

Tot slot wijst de minister er op dat de huidige kwaliteitsvereisten zoals voorzien in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 uiteraard onverminderd van toepassing blijven.

Bron: Omzendbrief van het kabinet van vice-eerste minister en minister van sociale zaken en volksgezondheid Frank Vandenbroucke, 12 mei 2021.

Problemen vermijden na einde samenwerking met een zelfstandige verpleegkundige door middel van een niet-concurrentiebeding

In de verpleegkundige sector worden vaak samenwerkingen gesloten tussen een praktijk en individuele zelfstandige verpleegkundigen.

Maar wat als de samenwerking tot een einde komt? Hoe kan u voorkomen dat de vertrekkende zelfstandige verpleegkundige niet met de patiënten van uw praktijk gaat lopen?

Uiteraard heeft de patiënt het recht om zelf een verpleegkundige te kiezen maar door het opnemen van een niet-concurrentiebeding in de samenwerkingsovereenkomst met de zelfstandige verpleegkundige kan u alvast (toekomstige) problemen en discussies vermijden.

Waarop moet u letten bij het opstellen van een niet-concurrentiebeding?

Opdat een niet-concurrentiebeding geldig is, moet voldaan worden aan de volgende vereisten:

    1. Beperking in activiteiten

U kan niet zomaar alle activiteiten uitsluiten in het niet-concurrentiebeding.

Het niet-concurrentiebeding moet namelijk beperkt zijn tot soortgelijke activiteiten die direct concurrerend zijn met uw onderneming. In de verpleegkundige sector zal dit aldus beperkt zijn tot verpleegkundige activiteiten.

    1. Beperkt in de tijd

Daarnaast dient het niet-concurrentiebeding beperkt te zijn in de tijd.

Een redelijke termijn betreft de tijd die u nodig heeft om een patiënt aan u te binden. Vaak wordt een termijn van 2 jaar tot 5 jaar als redelijk aanzien.

Let erop dat de termijn ook niet te kort is zodat de vertrekkende zelfstandige niet na 6 maanden al uw patiënten kan overnemen.

    1. Beperkt in ruimte

Vervolgens moet het niet-concurrentiebeding geografisch beperkt zijn.

Zo een beperking kan bestaan uit de regio waar uw praktijk actief is.

Bovendien dient u ook te voorzien in een compensatoire vergoeding ingeval van een overtreding van het niet-concurrentiebeding.  Deze vergoeding bestaat uit het verlies dat u lijdt door het verlies van een patiënt of patiënten.

Een redelijke vergoeding kan bestaan uit een sanctie per inbreuk (afgenomen patiënt) gelijk aan het gemiddelde van zes maanden omzet.

Voorzie hierbij tevens in de mogelijkheid om steeds een vergoeding voor de werkelijk geleden schade te kunnen vorderen.

Let bij de redactie van het niet-concurrentiebeding erop dat de invulling van deze bovenstaande voorwaarden niet buiten proportie is. Een onredelijk niet-concurrentiebeding kan namelijk door de rechter worden herleid of zelfs worden vernietigd.

Wenst u een niet-concurrentiebeding op te stellen en heeft u hieromtrent vragen of wenst u onze hulp? Aarzel dan niet ons te contacteren.