VVPR bis: interim en  tussentijdse dividenden en het tarief in de roerende voorheffing

In 2019 werd het VVPRbis-regime ingevoerd dat kleine vennootschappen de mogelijkheid geeft om nieuwe aandelen uit te reiken waarvan de dividenden onder bepaalde voorwaarden, kunnen genieten van een verlaagd  tarief van roerende voorheffing (art. 269, §2 WIB 1992).

Art. 269:

‘§ 2. In afwijking van § 1, 1°, wordt het tarief van de roerende voorheffing op de dividenden, met uitzondering van de in artikel 18, eerste lid, 2°ter, en 3°, bedoelde dividenden, verlaagd in zoverre dat:

1° de vennootschap die deze dividenden uitkeert, een vennootschap is die op grond van de voorwaarden vermeld in artikel 1:24, §§1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng is gedaan;

2° die dividenden voortkomen uit nieuwe aandelen op naam;

3° die aandelen verworven zijn met nieuwe inbrengen in geld;

4° deze inbrengen in geld niet voortkomen uit de verdeling van belaste reserves die overeenkomstig artikel 537, eerste lid, worden onderworpen aan een verlaagde roerende voorheffing zoals bedoeld in datzelfde lid;

5° deze inbrengen zijn gedaan vanaf 1 juli 2013;

6° de belastingplichtige deze aandelen op naam ononderbroken in volle eigendom heeft behouden vanaf de kapitaalinbreng;

7° deze dividenden zijn verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar of volgende na dat van de inbreng.

De roerende voorheffing bedraagt:

1° 20 % voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng;

2° 15 % voor de dividenden verleend of toegekend uit de winstverdeling voor het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng”

Zo kan het standaard tarief van 30% roerende voorheffing verlaagd worden naar:

      • 20% voor dividenden aan nieuwe aandelen, verleend of toegekend uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng;
      • uiteindelijk zelfs naar 15% voor dividenden uit de winstverdeling van het derde boekjaar en volgende na dat van de inbreng.

In een nieuwe circulaire bevestigt de Administratie dat het verlaagd tarief ook ten aanzien van interim of tussentijdse dividenden van toepassing kan zijn.

Zowel het interim als het tussentijdse dividend worden beiden in de winstverdeling van het lopende boekjaar opgenomen waarbij dat boekjaar bepalend is om na te gaan of sprake is van het tweede dan wel het derde boekjaar na dat van de inbreng om het verlaagd tarief van 20% dan wel 15% te bepalen.

In de circulaire wordt dit toegelicht aan de hand van een voorbeeld:

Een KMO-vennootschap is opgericht in november 2015.

Het eerste boekjaar wordt afgesloten op 31 december 2016 waarna elk boekjaar per kalenderjaar verloopt.

In de loop van het boekjaar 2019 wordt een interimdividend uitgekeerd uit de winst van het lopende boekjaar.

Bijgevolg zal het interimdividend aan het verlaagd tarief van 15% worden onderworpen aangezien het is toegekend uit de winstuitkering van het derde boekjaar (2019) na het boekjaar van de inbreng (november 2015- 31 december 2016).

Bron: Circulaire 2021/C/36 van 23 april 2021 (https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/pages/fisconet/document/c2c073c3-c666-4d17-9957-bcd5d78d24ac/Circulaire%202021%2FC%2F36%20van%2023%20april%202021)