Vlabel spreekt zich uit over de inbreng van een onroerend goed in een vennootschap en de schenking van de aandelen ervan

In een voorafgaande beslissing nr. 20071 van 18 december 2020 heeft Vlabel zich uitgesproken over de vraag of de voorgenomen schenking, zijnde de schenking van de aandelen van de vennootschap nadat een onroerend goed in deze vennootschap was ingebracht, onderworpen is aan het tarief van schenkbelasting voor roerende goederen dan wel of deze verrichting een fiscaal misbruik uitmaken.

De feiten die aanleiding hebben gegeven tot de voorafgaande beslissing zijn de volgende.

Een weduwenaar had met zijn zoon een besloten vennootschap opgericht waarbij hij een onroerend goed had ingebracht in ruil voor 887 aandelen. Aan de zoon werd 1 aandeel toegekend in ruil voor zijn inbreng in geld.

Gezien zijn gevorderde leeftijd, wenst de weduwenaar zijn aandelen in de vennootschap over te dragen aan zijn zoon, die zowel aandeelhouder als bestuurder in de betrokken vennootschap is.

Volgens de aanvragers zou voor het uitvoeren van deze verrichtingen sprake zijn van een niet-fiscaal motief, namelijk het verzekeren van de continuïteit van de bedrijfsvoering.

Hiertoe werd bij Vlabel een aanvraag ingediend om bevestiging te krijgen dat:

de voorgenomen schenking onderworpen is aan het tarief van de schenkbelasting voor roerende goederen (vlak tarief van 3% – artikel 2.8.4.1.1, §2, 1°, VCF), en aldus niet onderworpen zal worden aan het (algemene) tarief van de schenkbelasting van onroerende goederen zoals opgenomen in artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF;

de voorgenomen schenking, rekening houdend met het geheel van verrichtingen, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

In eerste instantie stelt Vlabel dat moet worden onderzocht of de inbreng van het onroerend goed in de vennootschap daadwerkelijk is ingegeven met het doel om dit onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico en dat het niet de bedoeling is om dit onroerend goed te schenken aan de begunstigde van de aandelen.

Er kan volgens Vlabel niet worden ontkend dat de inbreng van het onroerend goed in de vennootschap, onmiddellijk gevolgd door een schenking van de aandelen aan de zoon, een fiscaal voordeel meebrengt voor de zoon. De schenking van de aandelen is namelijk onderworpen aan het gunstige vlak tarief van 3% schenkbelasting voor roerende goederen in rechte lijn, terwijl de schenking van het onroerend goed zelf aanleiding zou geven tot de schenkbelasting aan de progressieve tarief van artikel 2.8.4.1.1., §1 VCF (tabel I).

Volgens Vlabel maakt de inbreng van het onroerend goed in de vennootschap, kort gevolgd door de schenking van de aandelen aan de zoon, een fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF aangezien deze handelingen samen artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF frustreren.

De schenking van de aandelen, kort gevolgd op de inbreng van het onroerend goed, is volgens Vlabel namelijk enkel ingeven vanuit een belastingbesparend oogmerk.

Indien geen sprake zou geweest zijn van een belastingbesparend oogmerk, dan konden de aanvragers de chronologie van de verrichtingen eenvoudigweg hebben omgedraaid. De weduwenaar kon namelijk eerst overgaan tot schenking van het onroerend goed aan zijn zoon, waarna het onroerend goed door de zoon kon ingebracht worden in de vennootschap.

Daarnaast stelt Vlabel dat in hoofde van de aanvragers de intentie ontbreekt om het onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico. In de aanvraag wordt namelijk verwezen naar de vergevorderde leeftijd van de weduwenaar en zijn intentie om de nodige stappen te zetten tot verdeling van zijn vermogen onder zijn kinderen.

Volgens Vlabel kan het voorgelegde niet-fiscale motief van de aanvragers, zijnde de continuïteit van de bedrijfsvoering, de voorgenomen verrichting niet verantwoorden.

Bron: