Leidt verstek automatisch tot de minimumrechtsplegingsvergoeding? Het Hof van Cassatie spreekt zich uit

Als u in het gelijk wordt gesteld in een gerechtelijke procedure, moet de in het ongelijk gestelde partij u een rechtsplegingsvergoeding voldoen. Deze rechtsplegingvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in uw kosten en de betaalde erelonen aan de advocaat.

Aangezien het een forfaitaire vergoeding betreft, is het niet zo dat deze rechtsplegingsvergoeding uw werkelijke (advocaten)kosten vergoedt. Deze vergoeding wordt daarentegen afhankelijk gesteld van de waarde van het geschil. De basis-, minimum- en maximumbedragen hiervan zijn vastgelegd in het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 en zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Telkens als het indexcijfer met 10 punten stijgt of daalt, worden de sommen met 10 procent vermeerderd of verminderd.

Normaliter wordt het basisbedrag gehanteerd. Op gemotiveerd verzoek van één van de partijen kan de rechter echter de vergoeding verminderen of verhogen zonder de bepaalde maximum- en minimumbedragen te mogen overschrijden.

De rechter kent in principe de basisrechtsplegingsvergoeding toe. In drie specifieke situaties, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt echter het minimumbedrag toegekend. Dit is het geval wanneer de zaak wordt afgesloten met een verstekvonnis en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen. Daarnaast geldt het minimumbedrag wanneer de in het ongelijk gestelde partij geniet van juridische tweedelijnsbijstand (pro-Deoadvocaat). Ten slotte kan de rechter ook beslissen om de rechtsplegingsvergoeding uitdrukkelijk te matigen. In dat geval moet deze beslissing gemotiveerd worden in het vonnis.

Hoewel artikel 1022 Ger.W. in beginsel voorziet in de toekenning van de minimumrechtsplegingsvergoeding wanneer een zaak wordt beëindigd bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 juni 2026 bevestigd dat deze regel niet geldt wanneer de partij die zich erop beroept rechtsmisbruik pleegt

Het Hof bevestigde dat de rechter kan afwijken van de regel dat bij verstek slechts de minimumrechtsplegingsvergoeding wordt toegekend, wanneer sprake is van rechtsmisbruik. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de in het ongelijk gestelde partij de wederpartij door haar proceshouding heeft verplicht een uitgebreid en omstandig verweer te voeren, of wanneer het verstek uitsluitend werd gelaten met de bedoeling om slechts tot de minimumrechtsplegingsvergoeding te worden veroordeeld. In die gevallen kan de rechter de in het ongelijk gestelde partij alsnog veroordelen tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Bron: Hof van Cassatie, 9 juni 2026, P.26.0350.N

Related Posts