In familiale conflicten rijst vaak de vraag of grootouders hun kleinkind nog mogen zien wanneer de relatie met de ouders verstoord is. Het Belgische recht biedt hierop een duidelijk antwoord. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk erkend dat grootouders in beginsel een eigen recht hebben om een band met hun kleinkind te onderhouden.
Dat recht is verankerd in het Oud Burgerlijk Wetboek en houdt in dat grootouders persoonlijk contact met het kind mogen hebben. Dit uitgangspunt werkt in twee richtingen: niet alleen de grootouder heeft aanspraak op contact, ook het kind heeft er belang bij om de band met zijn grootouders te behouden. De wet vertrekt daarbij van het idee dat tussen grootouders en kleinkinderen van nature een affectieve relatie bestaat. Anders dan bij derden, moeten grootouders dus niet eerst aantonen dat er een bijzondere emotionele band is. Die verbondenheid wordt juridisch verondersteld.
Wanneer ouders en grootouders onderling tot afspraken komen over bezoekmomenten, is een tussenkomst van de rechter uiteraard niet nodig. Lukt het niet om tot een regeling te komen, dan kan de familierechtbank worden gevat. De rechter zal dan een concrete invulling geven aan het contact, telkens met het belang van het kind als leidraad. Dat kan uiteenlopen van een maandelijkse namiddag tot een regelmatig weekendbezoek. In sommige situaties wordt gekozen voor ontmoetingen in een neutrale bezoekruimte, bijvoorbeeld wanneer de spanningen tussen de ouder(s) en grootouders hoog oplopen.
Toch is dit recht niet absoluut. De belangen van het kind staan centraal. Indien contact schadelijk zou zijn voor het welzijn of de veiligheid van het kind, kan de familierechtbank beslissen om het verzoek af te wijzen. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin een grootouder het kind systematisch tegen de ouders opzet, of wanneer er ernstige problemen zijn zoals agressie of een zware verslavingsproblematiek die een veilige omgang in het gedrang brengen. In dat geval is het aan de ouder(s) om aannemelijk te maken dat het gevraagde contact strijdig is met het belang van het kind.
Het uitgangspunt blijft dus duidelijk: grootouders hebben in principe recht op persoonlijk contact met hun kleinkinderen, zonder dat zij eerst een bijzondere band moeten bewijzen. Dat recht vindt evenwel zijn grens waar het welzijn van het kind in gevaar komt. Uiteindelijk is het steeds het belang van het kind dat doorslaggevend is.
BRON: artikel 375bis Oud Burgerlijk Wetboek
