Het opstellen van een opdrachtbrief wordt soms gezien als een administratieve formaliteit, maar binnen de gereglementeerde beroepen van accountant, belastingadviseur en externe boekhouder is het een uitdrukkelijke wettelijke en deontologische verplichting.
Artikel 41 van de wet van 17 maart 2019 en artikel 11 §1 van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2021 laten hierover geen ruimte voor twijfel: vóór elke opdracht moet een opdrachtbrief worden opgesteld die de wederzijdse rechten en plichten van cliënt en beroepsbeoefenaar duidelijk en evenwichtig vastlegt. Die opdrachtbrief moet bovendien transparant zijn over aansprakelijkheid, erelonen en termijnen.
De tuchtrechtelijke beslissingen van het ITAA bevestigen dat het niet naleven van deze verplichting als ernstig wordt beschouwd. Er werden reeds sancties opgelegd gaande van een waarschuwing, tot een schorsing van acht dagen voor beroepsbeoefenaars die geen opdrachtbrief opstelden. De Commissie van Beroep benadrukte daarbij dat het opstellen én ondertekenen van een opdrachtbrief verplicht is, en dat het louter ontbreken ervan al een deontologische inbreuk vormt.
Deze rechtspraak maakt duidelijk dat de opdrachtbrief veel meer is dan een formaliteit. Zij is een essentieel instrument voor transparantie, rechtszekerheid en zorgvuldig handelen, en vormt een belangrijke basis voor elke samenwerking tussen cliënt en beroepsbeoefenaar.
BRONNEN:
- Artikel 41 van de wet van 17 maart 2019
- Artikel 11 §1 van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2021
- Beslissing van de Franstalige Tuchtcommissie van 7 december 2022, https://www.itaa.be/nl/tuchtbeslissingen-2/.
Beslissing van de Commissie van Beroep van 31 augustus 2022, https://report.itaa.be/overzicht-tuchtrechtspraak/.
