Asymmetrische verdeling van het gemeenschappelijk vermogen bij leven: geen fiscaal misbruik

Als een van hen ernstig ziek is en het risico loopt te overlijden, overwegen partners soms een ‘in extremis’ uitbreng van goederen uit de huwelijksgemeenschap naar het eigen vermogen van de andere niet-zieke partner.

In Vlaanderen is het immers zo dat de langstlevende echtgenoot erfbelastingen moet betalen op al hetgeen hij ingevolge huwelijksovereenkomst verkrijgt boven zijn eigen helft.

Door een uitbreng te doen naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot, kan dit vermeden worden.

De fiscus houdt uiteraard niet van deze praktijk en oordeelt steevast dat dit fiscaal misbruik uitmaakt. De fiscus stelt dat de deze zogenaamde ‘asymmetrische uitbreng’ haar niet kan tegengeworpen worden op grond van de algemene antimisbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF.

Artikel 3.17.0.0.2. bepaalt het volgende:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

Artikel 2.7.1.0.4 VCF bepaalt dat het gedeelte dat de langstlevende echtgenoot ingevolge huwelijksovereenkomst boven zijn eigen helft verkrijgt, belast is met erfbelasting:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.”

Door de eenzijdige uitbreng voor het overlijden te laten plaatsvinden, plaatsen de echtgenoten zich buiten het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF, zo stelt de fiscus. De partijen zouden op deze manier het gemeenschappelijke vermogen drastisch verminderen, om alzo bij het overlijden erfbelasting te vermijden.

Artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt volgens de fiscus op deze manier gefrustreerd. De fiscus steunt haar vermoeden van fiscaal misbruik daarbij tevens op de vaak korte tijdspanne tussen de uitbreng en het overlijden.

In een arrest van 16 juni 2020 heeft het hof van beroep te Gent (2019/AR/916) echter geoordeeld dat deze praktijk geen fiscaal misbruik uitmaakt.

In casu, betrof het een koppel dat was gehuwd onder het wettelijk stelsel bij gebreke aan huwelijkscontract. Toen zij vernamen dat een van hen erg ziek was en weldra zou overlijden, wijzigden de echtgenoten hun huwelijksstelsel naar een stelsel van scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap. Bij de vereffening-verdeling van hun eerste huwelijksstelsel werden bijna alle goederen toebedeeld aan de niet-zieke echtgenoot.

De fiscus stelde dat de asymmetrische uitbreng van goederen uit de huwelijksgemeenschap van de echtgenoten, in casu in het kader van hun wijzigende huwelijksstelsel, haar niet kon worden tegengeworpen op artikel 3.17.0.0.2 VCF in combinatie met artikel 2.7.0.4 VCF.

Volgens het Hof van Beroep te Gent beperkt het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.4 VCF zich echter tot de overbedeling van de langstlevende ingevolge overlijden. De toekenning van huwelijksvoordelen tijdens het leven, wordt niet geviseerd door de bepaling.

Artikel 2.7.1.0.4 VCF is volgens het Hof van Beroep te Gent aldus niet van toepassing.

Het Hof bevestigt dat de echtgenoten zich hebben onttrokken aan artikel 2.7.1.0.4 VCF, maar dit gebeurde volgens het Hof niet in strijd met de doelstellingen van deze bepaling, daar deze enkel de overbedeling tijdens het overlijden viseert.

Het ‘leegmaken’ van het gemeenschappelijk vermogen bij leven maakt aldus geen fiscaal misbruik uit, zolang dit niet gebeurt in strijd met de doelstellingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Er bestaat vooralsnog geen wettelijke basis voor de fiscus om een asymmetrische verdeling van het gemeenschappelijk vermogen tijdens het leven te belasten.

Bron:

      • Gent 16 juni 2020, nr. 2019/AR/916.
      • Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.