Aandelenoptieplannen winnen de laatste tijd steeds meer aan populariteit. In bepaalde situaties kunnen zij een fiscaal interessante manier vormen om werknemers en/of bedrijfsleiders te verlonen.
Aandelenopties geven namelijk aan werknemers of bedrijfsleiders het recht om op een later tijdstip een vooraf bepaald aantal aandelen te kopen tegen een op vandaag bepaalde prijs.
De persoon aan wie de aandelenopties worden toegekend, wordt bij de toekenning belast op een forfaitair bepaalde waarde van de aandelen. De meerwaarde die gerealiseerd wordt bij het uitoefenen van de opties, is dan vrijgesteld van belasting. Om van deze fiscaal voordelige behandeling te kunnen genieten, moet het aanbod van de aandelenopties binnen een termijn van zestig dagen schriftelijk worden aanvaard. Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd, kan de volledige waarde van de toegekende aandelenoptie als beroepsinkomen worden belast bij de begunstigde.
Een bijkomend fiscaal voordeel is dat de vennootschap die de aandelenopties toekent, de kosten daarvan in principe kan aftrekken als beroepskost. Wanneer de aandelenopties worden toegekend aan een bedrijfsleider, moet wel worden aangetoond dat deze toekenning een tegenprestatie vormt voor werkelijk geleverde prestaties, cf. de zogenaamde bezoldigingstheorie.
Het is dus steeds van belang dat de vennootschap inzet op een onderbouwde verloningspolitiek van de bedrijfsleider. Daarbij verdient het aanbeveling om de samenstelling van het verloningspakket steeds vast te leggen in verslaggeving. Om discussies met de fiscale administratie tot een minimum te herleiden, wordt best zo nauwkeurig mogelijk omschreven op grond van welke werkelijk door de bedrijfsleider geleverde prestaties, de aandelenopties aan het bezoldigingspakket worden toegevoegd.
Het Hof van Cassatie oordeelde reeds op 22 januari 2026 in die zin. De aftrek als beroepskost van de toegekende aandelenopties werd in deze zaak verworpen. De vennootschap kon namelijk niet aantonen dat tegenover deze kosten werkelijke prestaties staan van de bedrijfsleider.
Het is aldus aangewezen om verslaggeving met betrekking tot het verloningspakket van de bedrijfsleider steeds zo specifiek mogelijk op te maken en algemene clausules te vermijden.
Bron: Hof van Cassatie, 22 januari 2026, F.24.0072.N
